Posts weergeven met het label research. Alle posts weergeven
Posts weergeven met het label research. Alle posts weergeven
Op 5 september 2017 schreef ik een blogje over Rie Mastenbroek dat eindigde met:

Maar eigenlijk verdient ze een boek. Want er is nog zoveel meer te vertellen over Rie.

En zo kwam het.

Al twee jaar ben ik aan het schrijven over Rie. De topzwemster uit de jaren dertig.

Ik wil alles over haar weten.
Ik spoel polygoonjournaals uit de jaren dertig in slow motion af.
Ik spel elk krantenartikel dat over haar is verschenen.
Ik leg een vergrootglas op foto's om details te kunnen beschrijven.
Ik val stil ... als ik haar Olympische medaille mag vasthouden.
Ik lach om haar grapje bij de uitzending van Open het dorp.
Ik bestudeer de geschiedenis van het badpak.
Ik neem elk interview dat ze heeft gegeven tot me - opnieuw en opnieuw.
Ik bezoek de International Swimming Hall of Fame in Fort Lauderdale.
Ik bel, mail en bezoek een ieder die haar heeft gekend en stel dan eindeloos veel vragen.
Ik struin de straten af waar ze woonde.
Ik duik in het water om te keren als Kiefer.

En dan kruip ik weer achter mijn laptop om alle informatie aan elkaar te rijgen. Zo vormt zich het verhaal. Het verhaal van Rie, de vergeten zwemkampioen.

International Swimming Hall of Fame in Fort Lauderdale, U.S.A.
Mei 2020 zal haar levensverhaal verschijnen.
Op een regenachtige vrijdagavond opende ik de deur van het American Hotel in Amsterdam. 'We borrelen eerst nog even in Café Americain voordat we naar het Boekenbal gaan', zo had mijn uitgever me gemaild.

De entourage: galajurken, vlinderdasjes, wijn, stralende auteurs en stoelen van cherry pluche.

We hadden het over onze aanstaande boeken: Blokker, Pancakes adventures, Eeuw in versnelling.
De proevencontroles zaten erop. Geduldig keken we uit naar dat eerste exemplaar.

Glazen werden bijgevuld. Bitterballen gingen rond.

Buiten regende het. Het zou een snelle sprint worden naar de rode loper van de Stadsschouwburg.

Eerst nog naar het toilet - met z'n allen -, door de hal, naar de trap. En daar - zo tussen hal en trap - viel mijn oog op een blauw vierkant schild in een oude, houten etalagekast.

Het was een echte.

'Geëmailleerd ijzer, groot 10 bij 15 cm; zij vertonen een blauwe achtergrond, waarop het bekende Bondswapen staat, boven dit wapen leest men in witte letters BONDS en onder dit wapen HOTEL.' (de Kampioen, 1891)


Twee maanden eerder had ik in Eeuw in versnelling een stuk geschrapt over de door de ANWB gecertificeerde hotels voor wielrijders en nu bleek ik me in zo'n fenomeen te bevinden.

Ik - in een BONDSHOTEL!

Dit moest een teken zijn: ook al was het stuk om goede redenen geschrapt, het verschijnsel Bondshotel mocht niet vergeten worden.

Daarom bij deze een kleine geschiedschrijving:

In 1883 werd de Algemeen Nederlandsch Wielrijdersbond opgericht. Een jaar later benoemde de ANWB de eerste Bondshotels.
'Aan deze hotels zal dan vanwege de Bond een hotelschild worden uitgereikt, dat bij de hoofdingang bevestigd moet worden.' 

Een Bondshotel was een ideale overnachtingsplaats voor wielrijders.  In de reisgidsen van de ANWB  stond de ligging van het logement op de route aangegeven. Een dergelijk hotel beschikte over een blauwe hulpkist met reparatie- en verbandmiddelen.

Voor de vermoeide fietser was een Bondshotel een welverdiende luxe: zo was er een wc en badkamer aanwezig en bood elke kamer voorzieningen voor was- en scheerwater.
ANWB leden kregen korting op de overnachting en op de maaltijden en de wijnen.

Een Bondshotel diende daarnaast ook als vergaderruimte voor wielrijdersclubs of cursusruimte voor bijvoorbeeld den motor-cursus van de ANWB.

Voor een hotel was de groeiende groep wielrijder een interessante nieuwe doelgroep. Overal in Nederland lieten hotels zich kwalificeren tot Bondshotels. De Kampioen gaf hotelhouders korting op een doelmatige annonce in het tijdschrift.

De Kampioen, 1893

Rond 1902 waren er zo’n zeshonderd hotels met het keurmerk Bondshotel, herkenbaar aan het daarbij horende blauwe bord bij de ingang, zoals die in de etalagekast van het American Hotel.

En daar stond ik dus bij weg te dromen.

We moeten nu echt gaan, Marian.
Ik schrok op, maakte snel een foto, liet het voormalig Bondshotel achter me en rende door de regen naar de sjompige rode loper van de Stadsschouwburg, intens gelukkig met de onverwachte ontdekking èn met de mogelijkheid om dat meteen te kunnen vieren.
Kijk, zo zag ze eruit: mejuffrouw van Raden.

mejuffrouw van Raden ANWB
Mejuffrouw van Raden en haar broer. Bron: De Kampioen, juni 1885

In juli 1884 was zij het eerste vrouwelijke lid van de ANWB. Mejuffrouw van Raden hield van fietsen - en dat was in de negentiende eeuw buitengewoon vooruitstrevend.

Vrouwen fietsten namelijk niet. 

Niet alleen omdat dames niet zomaar op stap hoorden te gaan, en al helemaal niet per fiets, maar ook vanwege de gedicteerde mode: met de vele lagen zware rokken en schoenen met hoge hakken leek wielrijden onmogelijk. Het verplichte korset van walvisbaleinen wierp nog eens extra drempels op voor een stukje gezonde beweging: de ademhaling en de lever zaten continu in de verdrukking. 

Maar, zo was het idee, wielrijden zou nog veel ongezonder zijn. Het fietsen over hobbelige kinderhoofdjes en oneffen landwegen vergde te veel kracht van een vrouw en kon haar misvormen: haar beenspieren zouden zich ten opzichte van de rest van haar lichaam extreem ontwikkelen.

Een nog belangrijkere reden om vrouwen niet te laten fietsen was dat het, net als studeren, tot onvruchtbaarheid zou leiden. Het wielrijden was dus gevaarlijk voor het voortbestaan van de mens. Daarbij hadden vrouwen een gevoeliger zenuwstelsel dan mannen. Ze waren vatbaarder voor allerlei prikkels van buitenaf die hysterische driften konden aanwakkeren, en hadden een minder sterk karakter en een zwakkere intelligentie dan de man. 

Fietsen was simpelweg te hoog gegrepen voor een vrouw. 

En, - ook dat nog - de vélocipède werd door sommigen gezien als een geheim middel voor masturbatie. Dit denkbeeld versterkte de angst dat vrouwen die eenmaal de vrijheid van het fietsen hadden ervaren ook in andere opzichten de gewenste normen en waarden losser zouden hanteren. 

Vrouwen die fietsten waren niet netjes.

Hoongelach viel hen ten deel.

Maar de 'Pedaleuses' gaven niet op. 

Door pionierende vrouwen zoals mejuffrouw van Raden trad aan het einde van de negentiende eeuw een wisselwerking op tussen de fiets en de mode. Vrouwenorganisaties en artsen pleitten voor het afschaffen van het korset. Zij eisten lichte, eenvoudige jurken die het lichaam niet vervormden.

De ANWB en bedrijven als C&A speelden hierop in door knippatronen en rijwielkleding aan te bieden: broekrokken met lange kousen (zodat de enkels bedekt bleven) of een rok die je kon opknopen (ook met slobkousen). Het korset mocht uit. Het hoedje bleef. 

fietskostuum vrouw
Een fietskostuum met 'pantalon', bron De Kampioen.

Doordat steeds meer vrouwen fietsten en ze dat steeds vaker deden in praktische broekrokken, ontstond er enige gewenning. De wijde broek werd – zeer langzaam maar zeker – aanvaard als een kledingstuk dat vrouwen tijdens het wielrijden konden dragen en in het kielzog daarvan werd het geaccepteerd dat zij ook een praktische jurk of broek aantrokken als zij niet op de fiets zaten.

De fiets emancipeerde man en vrouw - heel geduldig - zowel in levensstijl als in kledingstijl. 

Die mejuffrouw van Raden. 
Hoe vooruitstrevend ze ook was, ze had nooit kunnen vermoeden hoe - mede door haar - een fietsende vrouw er 132 jaar uit zou zien.

Annemiek van Vleuten Giro 2017
Annemiek van Vleuten. Bron AD
De eerste teddybeer werd bedacht en gemaakt in Amerika. Of volgens sommigen in Duitsland. Of toch in Amerika. Of Duitsland. Of....

Duitsland, oktober 1902: 
Richard Steiff, speelgoedontwerper van het familiebedrijf Steiff, bezoekt graag de Zoologische-Botanischer Garten in Stuttgart om de verschillende dieren te bestuderen. Favoriet zijn de bruine beren, die hem inspireren tot het ontwerp van een nieuwe speelgoedsoort. Er zijn al eerder beren in het klein nagemaakt, levensechte kopieën op vier poten en met een echte berenhuid, maar de beer die Richard wil uitwerken is anders. Zijn beer moet rechtop kunnen staan en zijn armen en benen kunnen bewegen. Richard legt zijn schetsen voor aan zijn tante Margarete, zij vindt het een geweldig idee, en fabrikant Steiff neemt de speelgoedberen in productie.



Ondertussen, aan de andere kant van de Atlantische Oceaan: 
Theodore Roosevelt, president van Amerika en door zijn vrienden ‘Teddy’ genoemd, doet in 1902 mee aan een vierdaagse berenjacht in Mississippi. Het lukt Roosevelt echter maar niet om een beest te schieten. Op de laatste dag weet een van zijn partners een verdwaalde beer te vangen en hem vast te binden aan een boom. Hij biedt de president zo een eenvoudige jachttrofee aan - niet te missen -, maar Roosevelt weigert de beer te doden en beveelt zijn vrijlating.

De anekdote over de president en de beer haalt al snel de media. Cartoonist Clifford Berryman van The Washington Post legt het incident vast in een spotprent, en noemt de beer ‘Teddy’s Bear’.

teddy's bear
Cartoon van Berryman

In New York ziet Morris Michtom de cartoon in de krant. Hij beheert een kleine snoepwinkel en zijn vrouw Rose maakt in de avonduren pluche dieren om wat extra inkomsten te genereren. De spotprent zet Rose er toe aan om een kleine speelgoedbeer te maken. Morris zet de knuffel in zijn etalage met daarbij een bordje ‘Teddy’s Bear’. Het blijkt een groot succes. Binnen een jaar sluit Morris zijn snoepwinkeltje om een grote speelgoedfabriek ‘Ideal Toy Company’ op te richten, die – in de daarop volgende decennia – miljoenen teddyberen zal gaan verkopen.

Richard Steiff is al die tijd onwetend over die beer in de etalage van de New Yorkse snoepwinkel. Hij vervolmaakt zijn ontwerp voor de speelgoedbeer, om deze in 1903 te introduceren op de Leipziger Spielwarenmesse. Het lijkt daar geen groot succes te worden. Pas op het laatste moment, als Richard zijn spullen al aan het inpakken is, ziet een Amerikaanse inkoper de beer. Hij koopt alle 100 aanwezig speelgoedberen op en bestelt er nog eens 3.000. De slimme beurskoopman verkoopt zijn Steiffberen op de Amerikaanse markt, waar de teddybeer steeds populairder begint te worden. De Duitse beren zijn gewild. Vier jaar later produceert Steiff al een miljoen speelgoedberen.

Die eerste Duitse beer heet 55PB, dat staat voor 55 cm, Plüsch en Beweglich - een iets minder anekdotische naamgeving dan de vernoeming van de Amerikaanse Teddybeer....

Hoe dan ook, de eerste knuffelbeer is dus tegelijkertijd in Amerika als in Duitsland uitgevonden - een enorme toevalligheid - en al meer dan een eeuw een enorm succes.


Bronnen:
Afbeeldingen, zie link: 1, 2, 3
Uit het boek 'Berlijn 1936' van Oliver Hilmes:

'Als Jesse Owens de koning van de atletiek is, dan is Hendrika Wilhelmina 'Rie' Mastenbroek de koningin der zwemsters.'

Ja, dacht ik, Jesse Owens ken ik. Over hem zijn boeken geschreven en films en documentaires gemaakt. Een mythisch figuur bijna, die Jesse Owens op Hitlers propaganda-spelen. Maar Rie? Iemand die haar kent?

Ik niet. Maar ik was wel nieuwsgierig naar deze zwemster. Dus ik zocht het uit:

Rie was een zeventienjarig meisje uit Rotterdam. Ze won op de Olympische Spelen in Berlijn drie gouden en een zilveren medaille. Vier medailles. Vier!

Maar ik vond nergens een boek, film of documentaire over deze kampioen.
Dus daarom schreef ik een stukje over Rie.


Rie werd op 26 februari 1919 geboren in Rotterdam. Haar ouders waren ongehuwd. Ze groeide op bij haar moeder, en haar vader kwam regelmatig even langs.

Rie leerde op jonge leeftijd zwemmen. Als elfjarige ging ze op advies - 'je hebt volop talent!' - van twee trainsters van de Onderlinge Dames Zwemclub wedstrijdzwemmen. Een van de trainsters was Maria Braun, ook bekend als Ma Braun, bondstrainer van de Koninklijke Nederlandse Zwembond. Zij legde Rie een streng regime op - paardenbiefstuk en bruine bonen of witte bonen met spek, keihard trainen en geen enkele vorm van vrolijkheid of vermaak - en dat had effect.

Op het EK in Maagdenburg in 1934 won Rie - vijftien jaar oud - drie gouden medailles. Twee jaar later mocht ze mee naar Berlijn.

Het werd een groot succes: drie keer goud, een keer zilver.

Over de estafette uit 'Berlijn 1936':
Mastenbroek zwemt als laatste van het Nederlandse team en blijft haar Duitse concurrente Gisela Arendt voor. Slechts enkele meters voor de finale lijkt het noodlot toe te slaan, aangezien Rie water inslikt. Eigenlijk moet ze de wedstrijd staken, maar het haar laatste krachten zwemt ze door en tikt ze aan voor Arendt: goud voor Nederland. 'Dat is fysiek', schrijven de commentaren enthousiast, 'dat is de hardheid die wij bewonderen.'

Rie, de eerste Nederlandse vrouw die vier medailles won op de Olympische Spelen, werd gekroond tot 'die Kaisirin von Berlin'.



Rie kreeg een huldiging, vanwege haar uitzonderlijke prestatie, in een verduisterd Olympisch Stadion met 100.000 toeschouwers. Het enige licht kwam van een paar schijnwerpers, die op Rie waren gericht. 'Het was voor de Nederlanders, die nog aanwezig waren in deze ontzagwekkende volte en de wonderlijke sfeer beleefden, een ontroerend ogenblik, toen het Wilhelmus werd ingezet.' 

Zelf zei Rie: 'Het was gigantisch.'

Ma Braun wenste na de Olympische Spelen meer zeggenschap over haar pupil, en probeerde via een gerechtelijke procedure de ongehuwde moeder van Rie uit de ouderlijke macht te zetten. Dat mislukte en de hele toestand leidde tot een vertrouwensbreuk.
In 1937 nam Rie een baan aan als zweminstructrice. De Zwembond vond dat reden om Rie haar amateurstatus af te nemen en haar daarmee uit te sluiten voor internationale wedstrijden.

Dat betekende het einde van haar sportcarrière.

Rie trouwde en kreeg twee kinderen, ging scheiden en werd tolk en boekhoudster.

Ook al stond ze niet graag in de belangstelling, toch stak het Rie dat er in Nederland zo weinig waardering was voor haar sportprestaties. Vanuit het buitenland kreeg ze die erkenning wel. Rie werd in 1968 lid van de International Swimming Hall of Fame in Fort Lauderdale en ontving in 1997 de Olympic Order, de hoogste onderscheiding van het Internationaal Olympisch Comité.

Rie overleed in 2003 in Rotterdam.

Postuum wordt ze toch nog in het zonnetje gezet, een beetje.
De Volkskrant schreef zeven jaar geleden een mooi artikel over de zwemster. In 'Berlijn 1936' wordt aan Rie een hele pagina gewijd, en ook Els Kloek roemt haar in '1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis.'
En dan dit blogje.

Maar eigenlijk verdient ze een boek. Want er is nog zoveel meer te vertellen over Rie.



Literatuur: NOC/NSF Sporterfgoed en sportgeschiedenis.nl
Beeld: AD/ ANP en Huygens ING
In Groot-Brittannië, aan het einde van de negentiende eeuw, is er sprake van een nieuw fenomeen: kamperen.

Het is in Engeland een studie en een vak geworden te woekeren met de beknopte bergruimte op een fiets en opvouwbare wigwams, keukengereedschappen, spirituskomforen, dekens en proviand zo voordelig mogelijk over bagagedragers, frametassen en rugzakken te verdelen. (De Kampioen, 1905)

De trend waait al snel de Noordzee over en komt in Nederland terecht.

Kamperen gebeurt in eerste instantie ongereguleerd. Er zijn geen campings en de kampeerders moeten zelf een geschikte plek vinden om te slapen. Het opzetten van de tent, het bereiden van maaltijden en het graven van een toilet gebeurt in de vrije natuur. En juist dat primitieve maakt mensen zo enthousiast.

Robert Baden-Powell Kamperen
Robert Baden-Powell, grondlegger van de scouting

Kamperen is een elitaire 'sport'. De beoefenaars zijn rijke jonge mannen, die geld hebben voor het importeren van tentdoek uit Engeland, het laten maken van een tentje en het aanschaffen van kampeerspullen zoals een slaapzak en oliestel. De gewone arbeider kan dat allemaal niet betalen, en al zou hij dat wel kunnen, hij heeft amper vrije dagen.

Om landloperij te voorkomen legt Nederland de kampeersport zo snel mogelijk aan banden. Even spontaan met de tent eropuit trekken is niet mogelijk: om te mogen kamperen moet vooraf toestemming gekregen zijn van de landeigenaar. Ook moet er een vergunning aangevraagd worden bij de betreffende gemeente, waarvoor de kampeerder een bewijs van goed gedrag moet overleggen. Als dat allemaal geregeld is krijgt de kampeerder permissie een of twee nachten in de buitenlucht door te brengen, tegen betaling van een paar gulden. Mannen en vrouwen slapen gescheiden.

Carl Denig Kamperen
Carl Denig, tentenmaker en oprichter van de Nederlandse Toeristen Kampeer Club

In 1925 wordt het eerste officiële kampeerterrein van Nederland in Vierhouten, een dorp op de Veluwe, geopend. Al snel volgen er meer. Kamperen wordt steeds populairder, ook bij de minder welgestelde burgers. Het aantal vrije dagen neemt langzaam maar zeker toe, en het wordt steeds makkelijker om in Nederland tentdoek te verkrijgen om zelf een tent te naaien.

De grote kampeerdoorbraak komt na de Tweede Wereldoorlog. Direct na de bevrijding is er gebrek aan bijna alles, maar er zijn wel een heleboel legertentjes te verkrijgen. De ANWB organiseert kampeercursussen - inclusief examen en kampeerpaspoort - en geeft een kampeergids uit. In de jaren vijftig en zestig ontwikkelt kamperen zich tot een razend populaire 'sport', dankzij meer vrije tijd, gestegen welvaart en een grotere mobiliteit.


Zie ook: https://anderetijden.nl/aflevering/541/Nederland-gaat-kamperen
Beelden via Pinterest
Ik stuitte op een verhaal. Op een geheim. Een indrukwekkend geheim dat ik je niet wil onthouden.

Het verhaal begint met een meisje genaamd Margaret.

Margaret Bulkley wordt in 1789 in Cork, Ierland, geboren. Als zij en haar moeder Mary Ann Barry in de steek worden gelaten door haar vader, verhuist ze met haar moeder naar Londen om in te trekken bij haar oom, de kunstenaar James Barry.

Margaret wil gouvernante worden, maar ze mist de juiste referenties om een baan te krijgen. Samen met haar oom James komt ze tot een alternatief carrièreplan: ze zal arts worden.

Er is wel een probleem. Aan het begin van de negentiende eeuw is een opleiding tot arts alleen weggelegd voor mannen. Als haar oom overlijdt weet Margaret met een list haar plan toch uit te voeren: in 1809 knipt ze haar haren kort, ruilt haar jurk in voor een broek, neemt de naam van haar overleden oom, James Barry, aan en begint een medische studie aan de Universiteit van Edinburgh.

James Barry
James Barry - Margaret

Ze is klein, heeft een zachte stem en gladde huid, maar is ook vastberaden. Als iemand opmerkingen maakt over haar uiterlijk daagt ze diegene uit voor een duel en daarmee weet ze elke twijfel weg te nemen. Ze wordt ingeschat als homoseksueel, als hermafrodiet of als jongeman waar de puberteit geen grip op heeft gekregen.

James is succesvol in haar misleiding: in 1812 voltooit ze haar medische opleiding.

James werkt als legerarts bij o.a. de slag bij Waterloo en wordt daarna uitgezonden naar Zuid-Afrika. In Kaapstad verricht ze de eerste geregistreerde keizersnede op het continent. De baby wordt naar haar, James, vernoemd. In 1828 vertrekt James van Kaapstad naar Malta waar ze helpt om een cholera-uitbraak in te perken. Kort daarna wordt ze bevorderd tot medisch inspecteur voor het Britse leger. Ze werkt in verschillende Engelse koloniën en verhuist in 1857 naar Canada, waar ze de levens- en werkomstandigheden van soldaten verbetert.

Al die jaren wordt ze vergezeld door John, een dienstbode uit Jamaica, en een hond met de naam Psyche.

James Barry
James, John en Psyche

Op 25 juli 1865 overlijdt James aan dysenterie. Bij het afleggen van haar lichaam komt, na zesenvijftig jaar, de waarheid aan het licht. James Barry is een vrouw. Het Britse leger ontkent alles en verzegelt haar gegevens voor meer dan 100 jaar.

Ik ben zo onder de indruk van haar.

Ze heeft, in een tijdperk waarin de carrièremogelijkheden voor vrouwen minimaal zijn, haar droom verwezenlijkt.

Wat een doorzettingsvermogen.
Wat een gedrevenheid.
Wat een heldin.
Wat een geheim.

Ongelooflijk.



------ Foto's via http://gilliantreacy.com ----
Research. Het is leuk, leerzaam en inspirerend, en kan - zo weet ik nu - ook best lekker zijn.

Voor #boek4 wilde ik naar Duitsland, naar het gebied ten oosten van Osnabrück, Amt Wittlage. Want daar, tussen een gebergte en een rivier, in een golvend groene lappendeken, werd bijna 200 jaar geleden een zekere Heinrich geboren. En Heinrich is de man waarmee #boek4 begint.

Ik trok twee dagen uit voor mijn tocht en ging op zoek naar een geschikte overnachtingsplaats. Die vond ik in het dorp Werther.

Oh, denk je nu: van die snoepjes! Maar dat komt omdat je het plaatje bij dit blog al hebt gezien.

Werther's original

Ik dacht namelijk helemaal niet aan roomboterbabbellaars toen ik mijn kamer reserveerde in Werther. Ik dacht alleen maar aan Heinrich.

Twee uur voor vertrek verzamelde ik mijn aantekeningen, pakte mijn tas in en googelde nog even op Werther. En toen ontdekte ik het verhaal van suikerbakker Gustav Nebel.

In Werther wordt in 1903 een Zuckerwarenfabrik opgericht door August Storck. Zes jaar na de oprichting vindt Gustav Nebel, een van de eerste werknemers van de fabriek, een gekarameliseerde bonbon uit. Het snoepje bevat gestolde boter, witte kristalsuiker, fijne kandij, verse room, een beetje zout en - volgens de overlevering maakt dat de babbelaar zo speciaal - tijd, liefde en zorg. 
De snoepjes krijgen een goudgele wikkel en de naam Bonbons aus Werther of Die Werther’schen Bonbons. Later wordt dat Werther's Echte en uiteindelijk Werther's Original.
Nu, 208 jaar na de snoepuitvinding van Gustav, worden de bonbons nog steeds geproduceerd door Storck. De fabriek in Werther is uitgegroeid tot een grote koek- en snoepmultinational.

Ik noteerde met een uitroepteken (van toeval!) de overeenkomst die suikerbakker Gustav en mijn Heinrich leken te hebben, sloot mijn laptop af, stopte mijn spullen in de auto en reed doelgericht naar de supermarkt. Daar kocht ik een familiezak Werther's Original.

De rit naar Duitsland zou drie uur duren, maar was binnen een zak Werther's Original voorbij.

Een beetje misselijk, maar in een euforische, verlichte toestand passeerde ik de dorpsgrens. Want - en dat is nou het rare aan dat hele researchgedoe - als je dan eindelijk dat, waarover je alleen op internet, in boeken of op snoepzakken iets hebt gelezen, in het ECHT ziet, en kunt aanraken of proeven of wat dan ook, dan is dat leuk, leerzaam en inspirerend, maar bovenal bijzonder surrealistisch.

Werther bestáát. Een klein dorp met een wereldberoemd snoepje. En ik ben er geweest.

Werther Kreis Gutersloh


(en de volgende keer meer over Heinrich)
Met de hulp van familieleden met stoffige fotoalbums op zolders, huidige boerderijbewoners en Sjaak van Loo (auteur van Boven Water, de watersnoodramp van 1953 in Oost-Zuid Beveland in woord en beeld) heb ik een voorstelling kunnen maken van de boerderijen uit Polderpioniers.

Twee boerderijen zijn op dezelfde plaats (en in een vergelijkbare stijl) herbouwd. De andere boerderijen bestaan - helaas - niet meer.

Langeweg Kruisland
Familie Lodiers, Langeweg Kruisland


Holterbergsestraat Kruisland
Familie Lodiers, Holterbergsestraat Kruisland

Olzendedijk Kruiningen
Familie Lodiers, Olzendedijk Kruiningen

Capelleweg Kruiningen
Familie Rijk, Capelleweg Kruiningen (na de watersnoodramp, voor de brand)

Schelpenbolweg Slootdorp
Familie Rijk-Lodiers, Schelpenbolweg Slootdorp (voor de inundatie)
Even iets over dat oer-Nederlandse fenomeen polder, dat Polderpioniers niet haalde, maar best fascinerend is. Een stukje over etymologie.

Het woord polder bestaat sinds de 12e eeuw (toen nog polre) en is afgeleid van pol, als in graspol.

Een bedijking aan zee of een rivier is de oudste vorm van een polder. Als de grond voldoende hoogte heeft bij een normale vloedstand kan er ingepolderd worden. Een variant is het omdijken van een meer om het daarna droog te malen.

Noordoostpolder

Nederland is de eerste in de wereld die land inpoldert. Het woord polder wordt dan ook wereldwijd overgenomen vanuit onze taal. Zo komt in de 13e eeuw in Frankrijk het woord polre voor, later wordt dat poldre en daarna le polder. De Italianen gebruiken eerst poldro en vanaf 1838 polder. In het Engels bestaat polder sinds de 17e eeuw, in het Duits vanaf het begin van de 18e eeuw.

Het Baskisch, Bulgaars, Deens, Ests, Hongaars, Kroatisch, Noors, Pools, Roemeens, Servisch, Sloveens, Spaans, Tsjechisch en het Zweeds gebruiken polder, het Russisch pol'der, het Lets polderis, het Litouws pòlderis, het Portugees pôlder en het Fins polderi.

Dus niet alleen levert Nederland een bijdrage aan de wereldveiligheid door haar kennis over inpolderen te verspreiden, maar ook draagt Nederland met het begrip polder bij aan de internationale woordenschat.

Trots?

Hmm. Over dat eerste zeker, maar over dat laatste is wel enige bescheidenheid op zijn plaats.

Want, zo vertelt etymologiebank, de meeste Finnen weten eigenlijk niet wat ze met het woord polderi aan moeten, omdat ze de juiste betekenis niet kennen. In Finland wordt namelijk geen land ingepolderd. Het woord komt voornamelijk voor in artikelen, discussies of gesprekken die betrekking hebben op Nederland. En waarschijnlijk geldt dat voor meer van bovenstaande talen....

Polders zijn nou eenmaal zó Nederlands.

Noordoostpolder

* Met dank aan etymologiebank.nl
Alsjeblieft, 6 tips voor het organiseren van een goede bronvermelding. Onderstaande kan je - zei de ervaringsdeskundige - veel tijd en frustratie schelen...

Boeken

1. Zodra je een bruikbaar stuk tekst, een afbeelding of plattegrond vindt, schrijf je de bron op. Je denkt niet, 'oh ik onthoud wel waar ik dat heb gevonden.' Nee! Je noteert meteen de bron.

2. Die brongegevens noteer je volgens de APA-regels. Op scribbr.nl vind je die regels met voorbeelden.

3. Uit online archieven kun je vaak PDF's of JPG's van aktes downloaden. Hartstikke fijn. Geef deze bestanden duidelijke namen (uit welk archief, welk archiefnummer, welke inhoud). Denk ook hier niet, 'ik onthoud het wel,' want als je een jaartje verder bent en 62 aktes met onmogelijke bestandsnamen op je PC hebt staan praat je wel anders.

Getuigschrift

4. Maak foto's van alle fysieke documenten (bv brieven, diploma's, bidprentjes etc) die aan je uitgeleend worden. Het zou namelijk zo maar kunnen dat de eigenaar ze wel even aan je uit wil lenen, maar niet voor drie jaar.

5. Vind je in een archief dat ene geweldige document dat niet gedigitaliseerd is en gewoon weer terug moet in de archiefkast? Maak er een foto van - mag bijna altijd - (en anders een kopie, zie de extra tip onderaan). Foto's zijn thuis goed te vergroten en soms zelfs beter leesbaar dan het werkelijke document.

6. Wil je online bronnen, zoals een persoonlijk blog of publicatie, als referentie gebruiken? Niet elke online auteur heeft zijn Creative Commons op orde. Vraag daarom vooraf toestemming om de bron te mogen gebruiken - ik kreeg alleen maar positieve reacties - en verwijs er naar in je bronvermelding.

Akte

Extra tip voor het ontcijferen van oude documenten:
Van de archivaris van het Markiezenhof kreeg ik de volgende tip: In oude aktes is geschreven met de hand, met van die grote ouderwetse krulletters in inkt, wat het niet altijd goed leesbaar maakt. Volg met een potlood (op een kopie!) of met je vinger (dat mag wel op het echte document) de letters alsof je ze zelf schrijft. Vaak wordt door je eigen beweging dan toch inzichtelijk wat er staat.

Van bovenstaande punten ben ik bewust geworden tijdens het schrijven van Polderpioniers. Ongetwijfeld zijn er nog veel meer handige tips voor het maken van een goede bronvermelding of literatuurlijst. Aanvullingen zijn dan ook welkom!
(Ik was op een reken-wiskundecongres – iets met mijn werk – en kwam daar een foto tegen van de eerste vrouwelijk wiskundige. Ik was gefascineerd, zocht haar levensverhaal op en dacht elke regel weer: wat een tof wijf.)
Tatjana Aleksejevna Afanasjeva (Татьяна Алексеевна Афанасьева) werd geboren op 19 november 1876 in Kiev. Na het overlijden van haar vader, die hoofdinspecteur was bij de keizerlijke Russische spoorwegen, werd ze grootgebracht door haar oom en tante in St Petersburg.

Tatjana wilde maar een ding: wiskunde studeren. Maar in Rusland mochten vrouwen geen studie volgen aan de universiteit. Tatjana volgde daarom een lerarenopleiding en nam aanvullende wiskunde-en natuurkundelessen.

Tatjana Aleksejevna Afanasjeva

Bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ook wiskundebloed. Tatjana besloot, toen ze 25 was en alle beschikbare wiskundecursussen voor vrouwen gevolgd had, om verder te studeren in Göttingen, in Zuid-Duitsland. De Georg August Universiteit was namelijk HET instituut voor wis-en natuurkunde. Ze leerde in een paar maanden vloeiend Duits, en raakte bevriend met de Oostenrijkse natuurkundige Paul Ehrenfest, met wie ze publicaties van andere vakgenoten en heel ingewikkelde wiskundematerie uitwisselde en bediscussieerde.

Telkens weer wachtte Paul op Tatjana bij de bijeenkomsten van de wiskundeclub, maar ze kwam nooit. Toen hij er achter kwam dat Tatjana niet werd binnengelaten omdat ze een vrouw was, werd hij ziedend en zorgde – na eindeloze discussies met de wiskundemannen – dat het reglement aangepast werd.

Hun vriendschap ontwikkelde zich naar meer. In 1904 trouwden Paul en Tatjana.

Drie jaar later keerden ze terug naar St Petersburg, waar – volgens de Russische wet – een huwelijk tussen twee personen met verschillende geloven niet erkend werd. De Joodse Paul mocht niet samenwonen met de Russisch-orthodoxe Tatjana, tenzij ze allebei afstand zouden nemen van hun geloof. Dat deden ze.

Daar in St Petersburg, in de stad waar ze was opgegroeid, begon Tatjana een nieuwe didactiek te ontwikkelen voor meet-en wiskunde. Het werd haar levenswerk.

In 1912 werd Paul gevraagd om professor aan de Universiteit van Leiden te worden. Hij accepteerde en Tatjana ging met hem mee op voorwaarde dat ze haar eigen huis mocht ontwerpen. Ze kreeg haar zin.

Ehrenfest huis Leiden

Tatjana werkte nauw samen met haar echtgenoot. Ze publiceerde boeken en artikelen in het Russisch, Nederlands en Duits over onderwerpen als thermodynamica, kansrekening, statische mechanica en meetkundeonderwijs voor kinderen. Ze had kennis, was pienter, ambitieus en kritisch.

Tatjana organiseerde workshops voor docenten om ze mee te krijgen in haar pedagogische inzichten, scherpte haar bevindingen aan en publiceerde in 1924 haar eigen didactische methode. Aanvankelijk kreeg ze veel kritiek, maar gaandeweg werden haar ideeën steeds vaker overgenomen en uitgevoerd. Tatjana’s werk werd de basis voor de wiskunde van nu.

Paul en Tatjana kregen vier kinderen, waarvan een zoon het downsyndroom had.
In 1933 voltrok zich een tragedie – niemand weet waarom: Paul schoot zijn gehandicapte zoon dood en pleegde daarna zelfmoord.

Tatjana overleefde haar echtgenoot dertig jaar. Ze stierf op 14 april 1964, op 87-jarige leeftijd in Leiden, zonder te weten dat in de jaren erna miljoenen Nederlandse kinderen met haar didactiek wiskunde zouden leren.
In 1816 zijn de zomermaanden in Europa ongewoon koud en nat met zware regen-en onweersbuien. In Zwitserland sneeuwt het in juli in de bergen èn in de dalen, en vanaf augustus treedt in het grootste deel van Europa de nachtvorst in. Massale misoogsten zijn het gevolg, en dus hongersnood. In Wales trekken families van dorp naar dorp, smekend om eten. In Ierland breekt een tyfusepidemie uit. In Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk vinden opstanden en plunderingen plaats.

En dat komt allemaal door de uitbarsting van de vulkaan Tambora op het Indonesische eiland Soembawa in 1815. Het is de grootste eruptie in 10.000 jaar die door mensen wordt waargenomen. De uitbarsting leidt op Soembawa en omringende eilanden tot asregens en tsunami's.

Tambora vulkaan

Driekwart jaar later, in de winter, valt er in Hongarije en Italië rode en bruine sneeuw. De neerslag is vervuilt door de as van Tambora en er blijft een laagje nevel op het land liggen.

De vulkaanuitbarsting beïnvloedt het klimaat wereldwijd. China en Canada krijgen te maken met overstromingen en droogte. In Europa wordt het een zomerlang ijzig koud en sterven er 200.000 mensen.

Het kleine beetje eten wat er nog is, kan niet gedistribueerd worden, want ook de paarden overleven de kou en honger niet. Het transport in Europa valt compleet stil.

En dan, in al die ellende, is daar de Duitse uitvinder Karl Drais. De 'Professor der Mechanik' heeft een ingeving. Zo gaat dat in de geschiedenis: crisis leidt tot creativiteit. Karl maakt een houten loopfiets. Het ding weegt 22 kilo (een fiets uit het nu weegt zo'n 15 kg) en hij legt er 13 kilometer in één uur mee af (een fietser uit het nu - wielrenners uitgesloten - fietst ca 20 km/uur).

Draisine

Helemaal niet slecht dus die eerste fiets. Weliswaar had het ding geen trappers of rem, laat staan een witgeschilderd spatbord of reflectoren, maar de tweewieler was geboren en het eten kon weer worden rondgebracht.

Vijftig jaar later werden de kettingkast en de trappers toegevoegd. En nog eens tien jaar later kwamen de banden vol met wind.*



Met dank aan Wikipedia.
Zes jaar lang woonde en studeerde ik in Delft. De historische binnenstad, het recreatiegebied 't Delftse Hout en een stukje universiteit vormden het decor van de thriller Blauwdruk. Mijn herinneringen bleken een vat vol inspiratie. Alleen maar goede herinneringen trouwens; van zingen in een bandje (auh!) tot een fijn huis vol vrienden. Voor Blauwdruk keerde ik terug naar Delft om research te doen. Wat was de stad veranderd! en toch, tegelijkertijd, gewoon nog hetzelfde: de Beestenmarkt, de Doelenstraat, de Buitenwatersloot.

Dit jaar kwam Delft naar mij, in twee etappes. Eerst was daar Sam, die zijn studie materiaalkunde had ingeruild om fotograaf te worden, en die mij - ploetermoeder op vrijdagmiddag - in beeld wist vast te leggen als 'kan er nog prima mee door'.

tweet foto


Toen kwam Connie, journaliste van Delft Integraal, die me uithoorde over mijn leven na Delft, en met wie ik schrijverservaringen uitwisselde en even zoveel herinneringen aan Delft.

Deze week, zeventien jaar nadat ik Delft verliet, staat mijn interview in het blad van de universiteit. Bij een ieder die ooit iets met de TU te maken had, lig ik op de mat. Grappig en gaaf. Want ineens is daar weer contact met die oud-medestudenten en uit het oog verloren huisgenoten. Delft is weer dichtbij. Net als al die herinneringen.


Onderstaand verhaal maakt me HEEL ERG HYPER en ook heel erg stil.

De factor TOEVAL is groot. Absurd groot. En de droefenis ook.

Lees zelf maar:

Afgelopen zaterdag pakte ik het boek 'Boven Water. De watersnoodramp van 1953 in Oost-Zuid-Beveland in woord en beeld.' geschreven door oa. Meneer van Loo, uit de grote bak met boeken die mijn vader voor me had achtergelaten.


Boven water

Ik blies in en uit en nog eens en sloeg het boek open. Het hoofdstuk '1953' van #boek3 moest geschreven worden, het hoofdstuk over de watersnoodramp in Kruiningen. Dus hup, aan de research.

Indrukwekkende zwart-wit foto's vulden mijn hoofd.
Daar: de neef van mijn vader, zonder huis, zonder kleding, zonder iets. Daar: de boerderij waar mijn overgrootouders hun gezin stichtten: compleet onder water. Daar: het spoorwegwachtershuisje, de starterswoning van mijn grootouders en de plek waar mijn vader geboren werd, verwoest.

Het spoorwegwachtershuis 30. (Foto ANP, Utrechts Archief)

Er zat een hele dikke brok in mijn keel en die ging niet weg.

Op zondag ploeterde ik door nog veel meer boeken en online archieven. Ik las over de slechte gesteldheid van de dijken en over Het Drie Eilandenplan, dat te laat kwam. Over hoe, door een noodlottige samenloop van omstandigheden, Zuid-West Nederland midden in de nacht verrast werd door de stormvloed. Ik schreef over de verkleumde inwoners die in die koude januarinacht boven op de daken van hun huizen wachtten en wachtten, met onder hun een kolkende zee. Regen, storm, hagel en sneeuw. Huisraad dat voorbij dreef. Hulp die uitbleef. En een tweede vloed op 1 februari. Er vielen 1836 slachtoffers.


Toevallig zeg, dacht ik nog, een nieuwsbericht over de watersnoodramp, terwijl ik verder aan mijn hoofdstuk '1953' schreef. 
In Kruiningen kwamen op 31 januari en 1 februari 1953 tweeënzestig inwoners om. Vier daarvan werden nooit teruggevonden. Mijn oudoom Jan wel, zes weken na de ramp. 

Het huis van mijn oudoom Jan, via www.deramp.nl

Op dinsdag kwam het vervolgnieuws: 'De zoon van de alsnog geïdentificeerde vrouw komt uit Kruiningen en is in 1937 geboren'

Goh. Net als mijn vader: ook in Kruiningen en in 1937 geboren.

Toeval? Al die Kruiningen-en-watersnood-dingen die in vier dagen samen komen?
Het werd nog veel erger.

Op dinsdagavond ging ik op zoek naar informatie over een brand in Kruiningen rond 1970. Ik raadpleegde de krantenbank van Zeeland en Google, die me doorstuurde naar een facebookpagina: Kruiningen toen en nu

Berichtje gestuurd. En ja! Er kwam een reactie, mijn vragen werden beantwoord en er volgde een lang gesprek. Toen hij, de beheerder van de facebookpagina, iets hintte als: 'Ik heb ooit eens een studie gedaan naar de watersnoodramp in Kruiningen,' keek ik nog eens goed naar zijn naam... Meneer van Loo!... de schrijver van het boek dat al drie dagen opengeslagen op mijn bureau lag.


boven water

Het TOEVAL.

En nu, op donderdag, krijg ik het volgende - TOEVALLIGE - bericht: de zoon, wiens moeder na 62 jaar geïdentificeerd is, heeft in hetzelfde spoorwegwachtershuisje gewoond als mijn familie.

Stil van.
Zo'n beetje eens in de twee weken word ik intens gelukkig verrast door de post. Soms van een toffe archivaris, soms van een lief familielid. De post is een puzzelstukje, elke keer weer, dat gelegd kan worden in het totale levensverhaal van mijn grootouders. Intens gelukkig, echt, ik word er zó blij van. Zo was daar al Marietjehet boek, de anekdote en het vonnis, en een prachtig fotoalbum uit 1920 met dames met poffers en kinderen in matrozenpakjes.

Fotoalbum

Afgelopen week bracht de postbode de doos, zoals mijn oom het gevaarte noemt dat hij op zolder heeft gevonden, met schoolschriftjes uit 1915 en een heleboel andere mooie schatten. Een paar moeten - echt, het moet - in de schijnwerpers.

Getuigschrift
Zoals het eervol getuigschrift van mijn grootvader voor het getrouw bijwonen van de cursus Paardenkennis in 1913/1914. (nu weet ik eindelijk waar hij die winter uithing)

Oude boeken
Rust Roest (1910) met alles - echt alles! - over bemesting, en Het Voorrecht der Kinderen (1911) over de voorbereiding op de Heilige Communie - best pittig.

Oude boeken
Schreef ik al eens over Het boek voor moeders en dochters, dit is de variant voor 'onze jonge mannen' waarin middelen tot de kuischheid zijn omschreven: 
1. STA VAST!
2. WEES MOEDIG!
3. WEES ARBEIDZAAM!
(nou daar ga ik zeker nog een blogje over schrijven)

Oude boeken
Het boek Paardenkennis had Wachtmeester Rijk zeker weten de hele dag in zijn binnenzak tijdens de Eerste Wereldoorlog. 

Oude boeken
En tot slot: de grootste schat. Een wiskundeboek uit 1872! Wow. Ik heb nog nooit zoiets ouds vast mogen houden, laat staan doorbladeren. 250 rekensommen, o.a.:
Tussen twee steden A en B, die juist 24 uur van elkander liggen, varen op een maandag 's middags om 4 uur twee stoomboten te gelijk af; de een van A naar B, de ander van B naar A. De eerste legt 6 uur in 2,75 uur af en de tweede 6 uur in 2,5 uur af. Zoo zij nu telkens in de steden A en B 12 uur stil liggen, vraagt men, wanneer zij voor het eerst te gelijk in B zullen aankomen?
Mooi toch: een som van 142 jaar oud.
(en de uitkomst staat achterin: Nooit)
Even iets heel anders op dit blog.

Ik schrijf - midden in de lancering van Blauwdruk - trouw verder aan #boek3. En daar worstel ik met het volgende vraagstuk:

Het is 1914 - en de eerste wereldoorlog is daar. Nederland wil neutraal blijven en mobiliseert op 31 juli 1914 de strijdkrachten. In totaal worden 203.000 soldaten opgeroepen. Zij bewaken de grenzen en vluchtelingenkampen, handhaven de openbare orde en brengen wegversperringen aan. 

In Zeeland is er een boer met twee zonen: Jan van 20 en Kees van 18. Ik weet dat Kees de hele oorlog in dienst is geweest, maar ik weet niets over Jan.

Mijn vraag: is het waarschijnlijk dat een boer zijn beide - en enige - zonen 4 jaar lang kwijt was aan de mobilisatie?

Ik vermoed namelijk dat de boer in kwestie heeft geprobeerd om zijn oudste zoon bij zich te houden, als werkkracht op de boerderij. Als hij beide zonen 4 jaar lang kwijt was, moest hij voor twee man vervanging zoeken. Een dure kwestie.

Kon een boer een zoon vrij laten stellen van dienstplicht vanwege bovenstaande?

Alle informatie is zeer welkom!

& alvast heel veel dank.

dienstplichtigen eerste wereldoorlog
Derde van rechts - de man met zijn armen over elkaar voor de stenen muur - is Kees

Altijd al willen weten waarom Pêche Melba Pêche Melba heet en Melba toast Melba toast?

Dacht ik al.

Ik ook. En ik heb het voor je uitgezocht:

Helen Porter Mitchel wordt in 1861 geboren in Melbourne. Ze is de oudste van zeven kinderen uit een succesvol aannemersgezin, en als ze zes is krijgt ze haar eerste zang-en pianoles. Helen blijkt talent te hebben.

Ze is populair in de 'society' vanwege haar pianospel en zang. Helen trouwt, krijgt een zoon, wordt door haar man verschillende keren in elkaar geslagen en vraagt na een jaar een scheiding aan.
Een paar maanden later debuteert ze als professioneel operazangeres.

Op zoek naar wereldfaam vertrekt ze naar Londen en zingt in 1886 voor het eerst in Princes' Hall. Het is geen succes. Teleurgesteld gaat Helen naar Parijs om les te krijgen van de beste zanglerares van de wereld, Mathilde Marchesi die, als ze Helen hoort zingen uitroept: 'Ik heb een ster gevonden. Eindelijk!'

Marchesi adviseert Helen een artiestennaam aan te meten. Het wordt Melba, een verbastering van haar geboorteplaats Melbourne. 

De zangdocente krijgt gelijk. Nellie Melba wordt een grote ster; eerst in Frankrijk en dan in de rest van Europa, in Amerika en natuurlijk in Australië. 

In 1893 zingt ze in Wagner's opera Lohengrin in Londen's Covent Garden. Het is een triomf. De Duke of Orleans viert de concerten met een diner in het Savoy Hotel, waar de Franse chef-kok Auguste Escoffier een nieuw dessert verzint voor de populaire zangeres: Pêche Melba.

De Pêche Melba voor Nellie wordt geserveerd in een zilveren schaal. Een ijssculptuur van een zwaan staat, gevuld met perziken, op een bed van vanille roomijs. Het geheel is gedecoreerd met dunne slierten karamel.

Wauw.

In 1897 is Nellie weer in het Savoy. Escoffier serveert haar Toast Marie -vernoemd naar de vrouw van zijn baas- en hernoemt deze per direct naar de zangeres. (Hij schijnt verliefd geweest te zijn....) Vanaf nu heet de dunne knapperige toast Melba Toast. 

Er schijnen nog twee gerechten door Auguste Escoffier naar Nellie vernoemd te zijn. Melba Sauce: een zoete puree van frambozen en rode bessen. En Melba Garniture: gevulde tomaten met kip, truffels en champignons.

Die Nellie. Vier gerechten kregen haar naam. Hoe geliefd!

In 1928 geeft Nellie haar laatste concert in Australië. Ze sterft 3 jaar later. Maar Helen Porter Mitchel leeft verder op het Australische 100-dollar biljet, in de uitdrukking 'more comebacks than Nellie Melba' en op bijna elke menukaart.

Meer over Nellie? In dit filmpje kun je haar horen en zien:

Sinds drie dagen hoor ik bij de Facebookgroep Diepzeeduiken 2015 Chickies. Een clubje dames die ooit - echt heel erg ooit - hun PADI duikdiploma haalden.

Eerste vraagstuk dat door deze 40+ Chickies getackeld moet worden: waar gaan we duiken?

Middellandse Zee, Caribean, Azië?
Criteria: een blauwe zee, talloze kleurrijke vissen, mega-schildpadden, een scheeps-of vliegtuigwrak. Alles is mogelijk. De onderwaterwereld ligt aan onze flippers.

Ik heb nog geen idee ingebracht. Ik ben bang dat als ik dat doe uit de Facebookgroep geknald wordt.

Ik las namelijk iets over een betoverende gezonken stad. Niet - de onbewezen - Atlantis, niet - de wel bewezen - Pavlopetri, niet bij Cuba, Italië, Griekenland, Turkije of ander exotisch oord, maar gewoon in Zeeland. Reimerswaal heet die stad, en ze ligt al eeuwen op de bodem van de Oosterschelde.
(Op de site van Paul de Schipper kun je lezen hoe dat zo kwam.)

Zeeland heeft de meeste verdronken nederzettingen van Europa. Minstens 117 kerkdorpen en tientallen buurtschappen en kapeldorpen zijn door het water opgeslokt. Meer weten? Wikipedia heeft er een mooi lijstje van gemaakt.

Volgens een sage heeft een meermin de ondergang van Reimerswaal voorspeld. De klokken van Reimerswaal zouden door vissers nog steeds te horen zijn in de diepte. En als je naar beneden kijkt kun je de schitterende gouden daken van de stad zien.

Je kunt duiken in de Oosterschelde. Ik heb gehoord dat je op de bodem een oester kunt pakken, opensnijden en dan - slurp - ter plekke op kunt eten. Er schijnen 250 diersoorten daar in het water te leven. Ongetwijfeld wat minder tropisch gekleurd dan op de Caribean, maar je krijgt er wel de klingelende klokken en gouden daken van het toekomstige rijksmonument Reimerswaal bij.

Ik denk alleen niet dat ik de Chickies meekrijg naar de Oosterschelde. Mijn buddy's hebben - vermoed ik zo - liever een Mojito na het duiken dan een Zeeuwse bolus.

Hmm. Ik lust allebei wel.

Even een facebookgroep aanmaken hoor. Iets van Oesterduiken 2015 Bolussen.
En dan maar afwachten of er iemand met me wil afdalen naar Atlantis in Zeeland.

Mijn betovergrootmoeder Adriana Rijk wordt op 2 september 1832 geboren in Ovezande, een dorpje in Zuid-Beveland. Ze helpt haar vader - een landbouwer - mee op de boerderij, totdat haar jongere broers en zussen oud en sterk genoeg zijn om haar taken over te nemen, en wordt dan dienstbode.
Ze is 26 als ze in Goes aan de slag gaat bij een manufacturier. Een jaar later keert ze terug naar Ovezande, zwanger van haar baas. Op 9 januari 1860 wordt mijn overgrootvader geboren: Jan Rijk, een bastaardkind. Op zijn geboorteakte staat bij vader N.N.

Wie was hij, de man die Adriana bezwangerde?

Ik wil het weten. Het is uit nieuwsgierigheid - wat was dan mijn achternaam geweest? - maar ook een vorm van gerechtigheid - welke lummel bezwangerde die arme boerendochter en stuurde haar met haar dikke buik naar het Katholieke Ovezande terug?

Nelleke Noordervliet omschrijft de status van een dienstbode in 'Altijd roomboter' als volgt:
130.000 meisjes van eenvoudige komaf verleenden hun diensten aan zo’n 7% van de huishoudens. Het was een vorm van slavernij. Een dienstmeid had veel plichten, maar nauwelijks rechten. Haar juridische status was huisgenoot en als zodanig was de meid ondergeschikt aan het gezinshoofd. Van een geschreven arbeidscontract was geen sprake. 
Dienstboden waren in hun armoe vaak maar een stap verwijderd van het bredere pad der prostitutie. Ze werden zwanger gemaakt door de heren of zonen deze huizes, maar het was bij wet verboden onderzoek te doen of laten doen naar het vaderschap met als doel de vader tot onderhoud te verplichten. Rond de vaderschapskwestie werd een juridisch steekspel opgevoerd, bedoeld om de verwekker uit de wind te houden, bedoeld om de man te vrijwaren van zijn schuld aan de prostitutie. Niet zijn geilheid was het, maar haar veilheid. 

Ik wil het weten.

Dienstbode - Isaac Israëls

De naam Knitel kom ik tegen in oude familiepaperassen, maar er staat verder niets bij. Mijn overleden tante schreef ooit de naam Stieger op, met daarachter de zin 'Is dit de vader van opa.' (maar zonder vraagteken, dus wist ze het of dacht ze het alleen maar...). 

Ik ben de archieven ingedoken: Zeeuwengezocht.nl, Zeeuwsarchief.nl, de krantenbank van ZeelandZoekakten.nl en Wiewaswie, en ontdekte een heleboel:
- Zowel meneer Knitel als meneer Stieger waren manufacturier in Goes toen Adriana zwanger raakte. Tot zover klopt het.
- Meneer Knitel was weduwnaar en 55 jaar.
- Hij had drie zonen, tussen de 19 en 24 jaar oud.
- Die zonen werden alledrie op 19 jarige leeftijd ingeloot voor 5 jaar dienstplicht.
- Meneer Stieger was 23 jaar en trouwde 4 jaar later in Delft.

Verder niets. Dus nu zit ik al de hele tijd te gissen. Was het weduwnaar Knitel, die dolgraag de plaatselijke politiek in wou en in allerlei raden en besturen zat, dus dat bastaardkind echt niet kon gebruiken? Was het een van zijn zonen, die vijf jaar lang de Nationale Militie moest gaan dienen of juist daar net klaar mee was? Of was het toch Stieger? De naam die mijn tante opschreef.

Ik wil het weten.
Mijn eigen whodunnit in de familie.
Ik moet het weten.

Het gemeentearchief in Goes kan me hopelijk helpen. Ik ga er binnenkort naar toe, lekker bladeren in stoffige bevolkingregisters. Ondertussen oefen ik alvast mijn echte naam: Maria Stieger, of Maria Knitel. 
(Hè nee, dat klinkt helemaal niet. Ik blijf gewoon Rijk hoor, waar ik ook op stuit.)