Rie Mastenbroek was gisteren weer even op televisie. De vijftienjarige Rotterdamse klom uit het zwembad, schikte de pijpjes van haar badpak en sprak in de camera: ‘Ik beloof u lieve dames en heren, dat ik op de ingeslagen weg zal trachten voort te gaan om de Nederlandse zwemsport nog hoger te maken.’ Ze trok haar badmuts af en wierp een kushandje naar de camera.

Lef, had ze, en een enorme vechtlust. Anderhalf jaar later zou ze op de Olympische Spelen in Berlijn drie gouden medailles en een zilveren winnen bij het dameszwemmen.

Ik schreef in Vergeten goud het levensverhaal van deze talentvolle zwemster op. Ik kan uren over haar vertellen, over dat innemende, nuchtere, vrolijke meisje dat als eerste vrouw ooit vier medailles won op een Olympiade. Over de weg naar dat succes, over de kracht en macht waarmee ze door het water denderde, over de roem die haar overviel, over de teleurstellingen en tegenslagen die ze te verwerken kreeg en over hoe ze zich daar telkens weer als een ware topsporter doorheen sloeg.

Gisteren mocht ik even over Rie vertellen bij Tijd voor Max. Je kunt het interview terugkijken, en als je dat doet, kijk dan vooral niet naar mij, maar naar die beelden van Rie, naar ‘onze Rie’, die eindelijk weer eens de camera op haar gericht zag.

Op 5 september 2017 schreef ik een blogje over Rie Mastenbroek dat eindigde met:

Maar eigenlijk verdient ze een boek. Want er is nog zoveel meer te vertellen over Rie.

En zo kwam het.

Al twee jaar ben ik aan het schrijven over Rie. De topzwemster uit de jaren dertig.

Ik wil alles over haar weten.
Ik spoel polygoonjournaals uit de jaren dertig in slow motion af.
Ik spel elk krantenartikel dat over haar is verschenen.
Ik leg een vergrootglas op foto's om details te kunnen beschrijven.
Ik val stil ... als ik haar Olympische medaille mag vasthouden.
Ik lach om haar grapje bij de uitzending van Open het dorp.
Ik bestudeer de geschiedenis van het badpak.
Ik neem elk interview dat ze heeft gegeven tot me - opnieuw en opnieuw.
Ik bezoek de International Swimming Hall of Fame in Fort Lauderdale.
Ik bel, mail en bezoek een ieder die haar heeft gekend en stel dan eindeloos veel vragen.
Ik struin de straten af waar ze woonde.
Ik duik in het water om te keren als Kiefer.

En dan kruip ik weer achter mijn laptop om alle informatie aan elkaar te rijgen. Zo vormt zich het verhaal. Het verhaal van Rie, de vergeten zwemkampioen.

International Swimming Hall of Fame in Fort Lauderdale, U.S.A.
Mei 2020 zal haar levensverhaal verschijnen.
Ik was graag Tina Turner geworden, of Dolly Parton of the Red Hot Chili Peppers. Helaas is er geen spatje muzikaliteit in mijn genen beland. Toch mocht ik afgelopen vrijdag een bijdrage leveren aan een prachtig jubileumconcert: Creona viert feest, join the music!

Te midden van orkest, dirigent, solisten en koor stond mijn troon. Ik vertelde over ritme, structuur, compositie. Over spanning, opbouw, drama en decor. Want elk muziekstuk vertelt een verhaal. En verhalen vertellen, dat kan ik dan weer wel.


Als het weer en de tijd het toelaat en als ik geen andere afspraken heb, pak ik mijn fiets en rijd ik naar mijn werk: 21 kilometer heen en 21 kilometer terug. Op een 'gewone' stadsfiets (inclusief loodzware fietstassen, ducttape om de kettingkast en een jasbeschermer die aanloopt). 

Ellebogen op de handvatten en trappen maar. 

Fiets Marian

Ondervonden wetmatigheden bij dit woon-werk verkeer zijn:
- Een gesloten mond voorkomt insecten in de luchtpijp/slokdarm. 
- Wind tegen op de heenweg betekent niet automatisch wind mee op de terugweg.
- Koeien, eenden en schapen gaan voor. Ook als ze van links komen.
- De prachtige route* brengt een intens geluksgevoel teweeg.

Al trappende legde ik mijn fietsgeluk vast:

Fietspad schapen

Fietsroute

Punt op de horizon

Koeien steken over

Bosweg

Reiger stijgt op

Lakenvelder

Door het bos

Bij Leersum

Wuivende paardenstaarten

Op de fiets

(* = Leersum-Amerongen-Elst-Rhenen-Wageningen en terug)
Op een regenachtige vrijdagavond opende ik de deur van het American Hotel in Amsterdam. 'We borrelen eerst nog even in Café Americain voordat we naar het Boekenbal gaan', zo had mijn uitgever me gemaild.

De entourage: galajurken, vlinderdasjes, wijn, stralende auteurs en stoelen van cherry pluche.

We hadden het over onze aanstaande boeken: Blokker, Pancakes adventures, Eeuw in versnelling.
De proevencontroles zaten erop. Geduldig keken we uit naar dat eerste exemplaar.

Glazen werden bijgevuld. Bitterballen gingen rond.

Buiten regende het. Het zou een snelle sprint worden naar de rode loper van de Stadsschouwburg.

Eerst nog naar het toilet - met z'n allen -, door de hal, naar de trap. En daar - zo tussen hal en trap - viel mijn oog op een blauw vierkant schild in een oude, houten etalagekast.

Het was een echte.

'Geëmailleerd ijzer, groot 10 bij 15 cm; zij vertonen een blauwe achtergrond, waarop het bekende Bondswapen staat, boven dit wapen leest men in witte letters BONDS en onder dit wapen HOTEL.' (de Kampioen, 1891)


Twee maanden eerder had ik in Eeuw in versnelling een stuk geschrapt over de door de ANWB gecertificeerde hotels voor wielrijders en nu bleek ik me in zo'n fenomeen te bevinden.

Ik - in een BONDSHOTEL!

Dit moest een teken zijn: ook al was het stuk om goede redenen geschrapt, het verschijnsel Bondshotel mocht niet vergeten worden.

Daarom bij deze een kleine geschiedschrijving:

In 1883 werd de Algemeen Nederlandsch Wielrijdersbond opgericht. Een jaar later benoemde de ANWB de eerste Bondshotels.
'Aan deze hotels zal dan vanwege de Bond een hotelschild worden uitgereikt, dat bij de hoofdingang bevestigd moet worden.' 

Een Bondshotel was een ideale overnachtingsplaats voor wielrijders.  In de reisgidsen van de ANWB  stond de ligging van het logement op de route aangegeven. Een dergelijk hotel beschikte over een blauwe hulpkist met reparatie- en verbandmiddelen.

Voor de vermoeide fietser was een Bondshotel een welverdiende luxe: zo was er een wc en badkamer aanwezig en bood elke kamer voorzieningen voor was- en scheerwater.
ANWB leden kregen korting op de overnachting en op de maaltijden en de wijnen.

Een Bondshotel diende daarnaast ook als vergaderruimte voor wielrijdersclubs of cursusruimte voor bijvoorbeeld den motor-cursus van de ANWB.

Voor een hotel was de groeiende groep wielrijder een interessante nieuwe doelgroep. Overal in Nederland lieten hotels zich kwalificeren tot Bondshotels. De Kampioen gaf hotelhouders korting op een doelmatige annonce in het tijdschrift.

De Kampioen, 1893

Rond 1902 waren er zo’n zeshonderd hotels met het keurmerk Bondshotel, herkenbaar aan het daarbij horende blauwe bord bij de ingang, zoals die in de etalagekast van het American Hotel.

En daar stond ik dus bij weg te dromen.

We moeten nu echt gaan, Marian.
Ik schrok op, maakte snel een foto, liet het voormalig Bondshotel achter me en rende door de regen naar de sjompige rode loper van de Stadsschouwburg, intens gelukkig met de onverwachte ontdekking èn met de mogelijkheid om dat meteen te kunnen vieren.
Kijk, zo zag ze eruit: mejuffrouw van Raden.

mejuffrouw van Raden ANWB
Mejuffrouw van Raden en haar broer. Bron: De Kampioen, juni 1885

In juli 1884 was zij het eerste vrouwelijke lid van de ANWB. Mejuffrouw van Raden hield van fietsen - en dat was in de negentiende eeuw buitengewoon vooruitstrevend.

Vrouwen fietsten namelijk niet. 

Niet alleen omdat dames niet zomaar op stap hoorden te gaan, en al helemaal niet per fiets, maar ook vanwege de gedicteerde mode: met de vele lagen zware rokken en schoenen met hoge hakken leek wielrijden onmogelijk. Het verplichte korset van walvisbaleinen wierp nog eens extra drempels op voor een stukje gezonde beweging: de ademhaling en de lever zaten continu in de verdrukking. 

Maar, zo was het idee, wielrijden zou nog veel ongezonder zijn. Het fietsen over hobbelige kinderhoofdjes en oneffen landwegen vergde te veel kracht van een vrouw en kon haar misvormen: haar beenspieren zouden zich ten opzichte van de rest van haar lichaam extreem ontwikkelen.

Een nog belangrijkere reden om vrouwen niet te laten fietsen was dat het, net als studeren, tot onvruchtbaarheid zou leiden. Het wielrijden was dus gevaarlijk voor het voortbestaan van de mens. Daarbij hadden vrouwen een gevoeliger zenuwstelsel dan mannen. Ze waren vatbaarder voor allerlei prikkels van buitenaf die hysterische driften konden aanwakkeren, en hadden een minder sterk karakter en een zwakkere intelligentie dan de man. 

Fietsen was simpelweg te hoog gegrepen voor een vrouw. 

En, - ook dat nog - de vélocipède werd door sommigen gezien als een geheim middel voor masturbatie. Dit denkbeeld versterkte de angst dat vrouwen die eenmaal de vrijheid van het fietsen hadden ervaren ook in andere opzichten de gewenste normen en waarden losser zouden hanteren. 

Vrouwen die fietsten waren niet netjes.

Hoongelach viel hen ten deel.

Maar de 'Pedaleuses' gaven niet op. 

Door pionierende vrouwen zoals mejuffrouw van Raden trad aan het einde van de negentiende eeuw een wisselwerking op tussen de fiets en de mode. Vrouwenorganisaties en artsen pleitten voor het afschaffen van het korset. Zij eisten lichte, eenvoudige jurken die het lichaam niet vervormden.

De ANWB en bedrijven als C&A speelden hierop in door knippatronen en rijwielkleding aan te bieden: broekrokken met lange kousen (zodat de enkels bedekt bleven) of een rok die je kon opknopen (ook met slobkousen). Het korset mocht uit. Het hoedje bleef. 

fietskostuum vrouw
Een fietskostuum met 'pantalon', bron De Kampioen.

Doordat steeds meer vrouwen fietsten en ze dat steeds vaker deden in praktische broekrokken, ontstond er enige gewenning. De wijde broek werd – zeer langzaam maar zeker – aanvaard als een kledingstuk dat vrouwen tijdens het wielrijden konden dragen en in het kielzog daarvan werd het geaccepteerd dat zij ook een praktische jurk of broek aantrokken als zij niet op de fiets zaten.

De fiets emancipeerde man en vrouw - heel geduldig - zowel in levensstijl als in kledingstijl. 

Die mejuffrouw van Raden. 
Hoe vooruitstrevend ze ook was, ze had nooit kunnen vermoeden hoe - mede door haar - een fietsende vrouw er 132 jaar uit zou zien.

Annemiek van Vleuten Giro 2017
Annemiek van Vleuten. Bron AD
Het afgelopen jaar was de meeste gestelde vraag aan mij: 

Waarom een boek over de fiets?

Nou, dat zit zo.

In 1906 maakte mijn grootvader Kees een klein wereldwonder mee in Zuid-Beveland: 

Op een van die nazomerse dagen komt vader van de markt met een verrassing. Hij heeft een handelaar in rijwielen getroffen. In de wagen, die in de ochtend nog gevuld was met zakken tarwe en gerst, ligt nu een glimmende tweewieler. Jan en Kees maken zich het fietsen eigen op de eerste Gazelle aan de Capelleweg. Ze zetten het stuur laag en leren fietsen. Niet met zijwielen of andere hulpmiddelen, maar gewoon afzetten boven aan de dijk, dan naar beneden roetsjen en trappen. Jane kan niet op de fiets met al haar rokken. Ze kijkt toe en lacht. Een fiets! Wat een weelde. 
[Uit: Polderpioniers]

Een openbaring moet het zijn geweest: dat nieuwerwetse vervoermiddel gaf Kees de kans om Zeeland uit te rijden en de wijde wereld in te trekken.

En dan was er dat proces-verbaal uit 1923 dat ik toevallig vond. Mijn grootmoeder werd op een landweggetje in Brabant door een veldwachter van haar fiets geplukt. Ze had namelijk geen rijwielbelasting betaald. Ik stelde me haar voor: verbolgen over haar boete, maar bovenal geëmancipeerd - in haar eentje kilometers ver van huis en met al die klokkende rokken op een fiets.


Het werd mij stilaan duidelijk: 
de fiets was buitengewoon belangrijk voor mijn grootouders. En niet alleen voor hen. Het rijwiel zette in de negentiende en twintigste eeuw talloze economische, maatschappelijke en sociale ontwikkelingen in gang.

Mobiliteit, recreatie en emancipatie bijvoorbeeld.

De anekdote van Kees en zijn Gazelle bracht mij in Dieren, bij de oudste nog bestaande Nederlandse rijwielfabriek. Daar ontdekte ik een indrukwekkend familieverhaal dat verweven was met de revolutie die de fiets in Nederland veroorzaakt had.

Ik had de wonderlijke en imposante geschiedenis van de fiets, van een familie en een fabriek in handen. En stuitte ook nog op bijzondere fietsfeitjes: over het woord Viets, over Bibendum, over kamperen, over de vulkaan Tambora en al die andere wetenswaardigheden.

Ik schetste op een A3-vel een verhaallijn en werd daar zó intens gelukkig van: dat gevoel wilde ik niemand onthouden.



Dus daarom. De fiets verdient een kroniek, een epos, een boek.

12 april 2018 verschijnt Eeuw in versnelling 
Precies een jaar geleden hield ik het eerste exemplaar van Polderpioniers in mijn handen.
Onwerkelijk gaaf.

Twee weken later, op de boekpresentatie, overhandigde ik mijn vader dat exemplaar. Hij had me tenslotte gevraagd het verhaal van zijn familie op te schrijven.

Het werd een jaar vol positieve recensies, mooie interviews, fijne lezingen, en een 2e, 3e en 4e druk - maar het beste waren de ontmoetingen met verloren familieleden en met lezers die hun opgerakelde herinneringen met me deelden.

Een jaar is voorbij en mijn vader is er niet meer. Onlangs kreeg ik uit zijn naam een ring. Nu heb ik een boek én een knoop in mijn handen: een perfecte combinatie wat mij betreft.

Polderpioniers Zeeuwse Knoop

De eerste teddybeer werd bedacht en gemaakt in Amerika. Of volgens sommigen in Duitsland. Of toch in Amerika. Of Duitsland. Of....

Duitsland, oktober 1902: 
Richard Steiff, speelgoedontwerper van het familiebedrijf Steiff, bezoekt graag de Zoologische-Botanischer Garten in Stuttgart om de verschillende dieren te bestuderen. Favoriet zijn de bruine beren, die hem inspireren tot het ontwerp van een nieuwe speelgoedsoort. Er zijn al eerder beren in het klein nagemaakt, levensechte kopieën op vier poten en met een echte berenhuid, maar de beer die Richard wil uitwerken is anders. Zijn beer moet rechtop kunnen staan en zijn armen en benen kunnen bewegen. Richard legt zijn schetsen voor aan zijn tante Margarete, zij vindt het een geweldig idee, en fabrikant Steiff neemt de speelgoedberen in productie.



Ondertussen, aan de andere kant van de Atlantische Oceaan: 
Theodore Roosevelt, president van Amerika en door zijn vrienden ‘Teddy’ genoemd, doet in 1902 mee aan een vierdaagse berenjacht in Mississippi. Het lukt Roosevelt echter maar niet om een beest te schieten. Op de laatste dag weet een van zijn partners een verdwaalde beer te vangen en hem vast te binden aan een boom. Hij biedt de president zo een eenvoudige jachttrofee aan - niet te missen -, maar Roosevelt weigert de beer te doden en beveelt zijn vrijlating.

De anekdote over de president en de beer haalt al snel de media. Cartoonist Clifford Berryman van The Washington Post legt het incident vast in een spotprent, en noemt de beer ‘Teddy’s Bear’.

teddy's bear
Cartoon van Berryman

In New York ziet Morris Michtom de cartoon in de krant. Hij beheert een kleine snoepwinkel en zijn vrouw Rose maakt in de avonduren pluche dieren om wat extra inkomsten te genereren. De spotprent zet Rose er toe aan om een kleine speelgoedbeer te maken. Morris zet de knuffel in zijn etalage met daarbij een bordje ‘Teddy’s Bear’. Het blijkt een groot succes. Binnen een jaar sluit Morris zijn snoepwinkeltje om een grote speelgoedfabriek ‘Ideal Toy Company’ op te richten, die – in de daarop volgende decennia – miljoenen teddyberen zal gaan verkopen.

Richard Steiff is al die tijd onwetend over die beer in de etalage van de New Yorkse snoepwinkel. Hij vervolmaakt zijn ontwerp voor de speelgoedbeer, om deze in 1903 te introduceren op de Leipziger Spielwarenmesse. Het lijkt daar geen groot succes te worden. Pas op het laatste moment, als Richard zijn spullen al aan het inpakken is, ziet een Amerikaanse inkoper de beer. Hij koopt alle 100 aanwezig speelgoedberen op en bestelt er nog eens 3.000. De slimme beurskoopman verkoopt zijn Steiffberen op de Amerikaanse markt, waar de teddybeer steeds populairder begint te worden. De Duitse beren zijn gewild. Vier jaar later produceert Steiff al een miljoen speelgoedberen.

Die eerste Duitse beer heet 55PB, dat staat voor 55 cm, Plüsch en Beweglich - een iets minder anekdotische naamgeving dan de vernoeming van de Amerikaanse Teddybeer....

Hoe dan ook, de eerste knuffelbeer is dus tegelijkertijd in Amerika als in Duitsland uitgevonden - een enorme toevalligheid - en al meer dan een eeuw een enorm succes.


Bronnen:
Afbeeldingen, zie link: 1, 2, 3
Uit het boek 'Berlijn 1936' van Oliver Hilmes:

'Als Jesse Owens de koning van de atletiek is, dan is Hendrika Wilhelmina 'Rie' Mastenbroek de koningin der zwemsters.'

Ja, dacht ik, Jesse Owens ken ik. Over hem zijn boeken geschreven en films en documentaires gemaakt. Een mythisch figuur bijna, die Jesse Owens op Hitlers propaganda-spelen. Maar Rie? Iemand die haar kent?

Ik niet. Maar ik was wel nieuwsgierig naar deze zwemster. Dus ik zocht het uit:

Rie was een zeventienjarig meisje uit Rotterdam. Ze won op de Olympische Spelen in Berlijn drie gouden en een zilveren medaille. Vier medailles. Vier!

Maar ik vond nergens een boek, film of documentaire over deze kampioen.
Dus daarom schreef ik een stukje over Rie.


Rie werd op 26 februari 1919 geboren in Rotterdam. Haar ouders waren ongehuwd. Ze groeide op bij haar moeder, en haar vader kwam regelmatig even langs.

Rie leerde op jonge leeftijd zwemmen. Als elfjarige ging ze op advies - 'je hebt volop talent!' - van twee trainsters van de Onderlinge Dames Zwemclub wedstrijdzwemmen. Een van de trainsters was Maria Braun, ook bekend als Ma Braun, bondstrainer van de Koninklijke Nederlandse Zwembond. Zij legde Rie een streng regime op - paardenbiefstuk en bruine bonen of witte bonen met spek, keihard trainen en geen enkele vorm van vrolijkheid of vermaak - en dat had effect.

Op het EK in Maagdenburg in 1934 won Rie - vijftien jaar oud - drie gouden medailles. Twee jaar later mocht ze mee naar Berlijn.

Het werd een groot succes: drie keer goud, een keer zilver.

Over de estafette uit 'Berlijn 1936':
Mastenbroek zwemt als laatste van het Nederlandse team en blijft haar Duitse concurrente Gisela Arendt voor. Slechts enkele meters voor de finale lijkt het noodlot toe te slaan, aangezien Rie water inslikt. Eigenlijk moet ze de wedstrijd staken, maar het haar laatste krachten zwemt ze door en tikt ze aan voor Arendt: goud voor Nederland. 'Dat is fysiek', schrijven de commentaren enthousiast, 'dat is de hardheid die wij bewonderen.'

Rie, de eerste Nederlandse vrouw die vier medailles won op de Olympische Spelen, werd gekroond tot 'die Kaisirin von Berlin'.



Rie kreeg een huldiging, vanwege haar uitzonderlijke prestatie, in een verduisterd Olympisch Stadion met 100.000 toeschouwers. Het enige licht kwam van een paar schijnwerpers, die op Rie waren gericht. 'Het was voor de Nederlanders, die nog aanwezig waren in deze ontzagwekkende volte en de wonderlijke sfeer beleefden, een ontroerend ogenblik, toen het Wilhelmus werd ingezet.' 

Zelf zei Rie: 'Het was gigantisch.'

Ma Braun wenste na de Olympische Spelen meer zeggenschap over haar pupil, en probeerde via een gerechtelijke procedure de ongehuwde moeder van Rie uit de ouderlijke macht te zetten. Dat mislukte en de hele toestand leidde tot een vertrouwensbreuk.
In 1937 nam Rie een baan aan als zweminstructrice. De Zwembond vond dat reden om Rie haar amateurstatus af te nemen en haar daarmee uit te sluiten voor internationale wedstrijden.

Dat betekende het einde van haar sportcarrière.

Rie trouwde en kreeg twee kinderen, ging scheiden en werd tolk en boekhoudster.

Ook al stond ze niet graag in de belangstelling, toch stak het Rie dat er in Nederland zo weinig waardering was voor haar sportprestaties. Vanuit het buitenland kreeg ze die erkenning wel. Rie werd in 1968 lid van de International Swimming Hall of Fame in Fort Lauderdale en ontving in 1997 de Olympic Order, de hoogste onderscheiding van het Internationaal Olympisch Comité.

Rie overleed in 2003 in Rotterdam.

Postuum wordt ze toch nog in het zonnetje gezet, een beetje.
De Volkskrant schreef zeven jaar geleden een mooi artikel over de zwemster. In 'Berlijn 1936' wordt aan Rie een hele pagina gewijd, en ook Els Kloek roemt haar in '1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis.'
En dan dit blogje.

Maar eigenlijk verdient ze een boek. Want er is nog zoveel meer te vertellen over Rie.



Literatuur: NOC/NSF Sporterfgoed en sportgeschiedenis.nl
Beeld: AD/ ANP en Huygens ING
In Groot-Brittannië, aan het einde van de negentiende eeuw, is er sprake van een nieuw fenomeen: kamperen.

Het is in Engeland een studie en een vak geworden te woekeren met de beknopte bergruimte op een fiets en opvouwbare wigwams, keukengereedschappen, spirituskomforen, dekens en proviand zo voordelig mogelijk over bagagedragers, frametassen en rugzakken te verdelen. (De Kampioen, 1905)

De trend waait al snel de Noordzee over en komt in Nederland terecht.

Kamperen gebeurt in eerste instantie ongereguleerd. Er zijn geen campings en de kampeerders moeten zelf een geschikte plek vinden om te slapen. Het opzetten van de tent, het bereiden van maaltijden en het graven van een toilet gebeurt in de vrije natuur. En juist dat primitieve maakt mensen zo enthousiast.

Robert Baden-Powell Kamperen
Robert Baden-Powell, grondlegger van de scouting

Kamperen is een elitaire 'sport'. De beoefenaars zijn rijke jonge mannen, die geld hebben voor het importeren van tentdoek uit Engeland, het laten maken van een tentje en het aanschaffen van kampeerspullen zoals een slaapzak en oliestel. De gewone arbeider kan dat allemaal niet betalen, en al zou hij dat wel kunnen, hij heeft amper vrije dagen.

Om landloperij te voorkomen legt Nederland de kampeersport zo snel mogelijk aan banden. Even spontaan met de tent eropuit trekken is niet mogelijk: om te mogen kamperen moet vooraf toestemming gekregen zijn van de landeigenaar. Ook moet er een vergunning aangevraagd worden bij de betreffende gemeente, waarvoor de kampeerder een bewijs van goed gedrag moet overleggen. Als dat allemaal geregeld is krijgt de kampeerder permissie een of twee nachten in de buitenlucht door te brengen, tegen betaling van een paar gulden. Mannen en vrouwen slapen gescheiden.

Carl Denig Kamperen
Carl Denig, tentenmaker en oprichter van de Nederlandse Toeristen Kampeer Club

In 1925 wordt het eerste officiële kampeerterrein van Nederland in Vierhouten, een dorp op de Veluwe, geopend. Al snel volgen er meer. Kamperen wordt steeds populairder, ook bij de minder welgestelde burgers. Het aantal vrije dagen neemt langzaam maar zeker toe, en het wordt steeds makkelijker om in Nederland tentdoek te verkrijgen om zelf een tent te naaien.

De grote kampeerdoorbraak komt na de Tweede Wereldoorlog. Direct na de bevrijding is er gebrek aan bijna alles, maar er zijn wel een heleboel legertentjes te verkrijgen. De ANWB organiseert kampeercursussen - inclusief examen en kampeerpaspoort - en geeft een kampeergids uit. In de jaren vijftig en zestig ontwikkelt kamperen zich tot een razend populaire 'sport', dankzij meer vrije tijd, gestegen welvaart en een grotere mobiliteit.


Zie ook: https://anderetijden.nl/aflevering/541/Nederland-gaat-kamperen
Beelden via Pinterest
Ik stuitte op een verhaal. Op een geheim. Een indrukwekkend geheim dat ik je niet wil onthouden.

Het verhaal begint met een meisje genaamd Margaret.

Margaret Bulkley wordt in 1789 in Cork, Ierland, geboren. Als zij en haar moeder Mary Ann Barry in de steek worden gelaten door haar vader, verhuist ze met haar moeder naar Londen om in te trekken bij haar oom, de kunstenaar James Barry.

Margaret wil gouvernante worden, maar ze mist de juiste referenties om een baan te krijgen. Samen met haar oom James komt ze tot een alternatief carrièreplan: ze zal arts worden.

Er is wel een probleem. Aan het begin van de negentiende eeuw is een opleiding tot arts alleen weggelegd voor mannen. Als haar oom overlijdt weet Margaret met een list haar plan toch uit te voeren: in 1809 knipt ze haar haren kort, ruilt haar jurk in voor een broek, neemt de naam van haar overleden oom, James Barry, aan en begint een medische studie aan de Universiteit van Edinburgh.

James Barry
James Barry - Margaret

Ze is klein, heeft een zachte stem en gladde huid, maar is ook vastberaden. Als iemand opmerkingen maakt over haar uiterlijk daagt ze diegene uit voor een duel en daarmee weet ze elke twijfel weg te nemen. Ze wordt ingeschat als homoseksueel, als hermafrodiet of als jongeman waar de puberteit geen grip op heeft gekregen.

James is succesvol in haar misleiding: in 1812 voltooit ze haar medische opleiding.

James werkt als legerarts bij o.a. de slag bij Waterloo en wordt daarna uitgezonden naar Zuid-Afrika. In Kaapstad verricht ze de eerste geregistreerde keizersnede op het continent. De baby wordt naar haar, James, vernoemd. In 1828 vertrekt James van Kaapstad naar Malta waar ze helpt om een cholera-uitbraak in te perken. Kort daarna wordt ze bevorderd tot medisch inspecteur voor het Britse leger. Ze werkt in verschillende Engelse koloniën en verhuist in 1857 naar Canada, waar ze de levens- en werkomstandigheden van soldaten verbetert.

Al die jaren wordt ze vergezeld door John, een dienstbode uit Jamaica, en een hond met de naam Psyche.

James Barry
James, John en Psyche

Op 25 juli 1865 overlijdt James aan dysenterie. Bij het afleggen van haar lichaam komt, na zesenvijftig jaar, de waarheid aan het licht. James Barry is een vrouw. Het Britse leger ontkent alles en verzegelt haar gegevens voor meer dan 100 jaar.

Ik ben zo onder de indruk van haar.

Ze heeft, in een tijdperk waarin de carrièremogelijkheden voor vrouwen minimaal zijn, haar droom verwezenlijkt.

Wat een doorzettingsvermogen.
Wat een gedrevenheid.
Wat een heldin.
Wat een geheim.

Ongelooflijk.



------ Foto's via http://gilliantreacy.com ----
Research. Het is leuk, leerzaam en inspirerend, en kan - zo weet ik nu - ook best lekker zijn.

Voor #boek4 wilde ik naar Duitsland, naar het gebied ten oosten van Osnabrück, Amt Wittlage. Want daar, tussen een gebergte en een rivier, in een golvend groene lappendeken, werd bijna 200 jaar geleden een zekere Heinrich geboren. En Heinrich is de man waarmee #boek4 begint.

Ik trok twee dagen uit voor mijn tocht en ging op zoek naar een geschikte overnachtingsplaats. Die vond ik in het dorp Werther.

Oh, denk je nu: van die snoepjes! Maar dat komt omdat je het plaatje bij dit blog al hebt gezien.

Werther's original

Ik dacht namelijk helemaal niet aan roomboterbabbellaars toen ik mijn kamer reserveerde in Werther. Ik dacht alleen maar aan Heinrich.

Twee uur voor vertrek verzamelde ik mijn aantekeningen, pakte mijn tas in en googelde nog even op Werther. En toen ontdekte ik het verhaal van suikerbakker Gustav Nebel.

In Werther wordt in 1903 een Zuckerwarenfabrik opgericht door August Storck. Zes jaar na de oprichting vindt Gustav Nebel, een van de eerste werknemers van de fabriek, een gekarameliseerde bonbon uit. Het snoepje bevat gestolde boter, witte kristalsuiker, fijne kandij, verse room, een beetje zout en - volgens de overlevering maakt dat de babbelaar zo speciaal - tijd, liefde en zorg. 
De snoepjes krijgen een goudgele wikkel en de naam Bonbons aus Werther of Die Werther’schen Bonbons. Later wordt dat Werther's Echte en uiteindelijk Werther's Original.
Nu, 208 jaar na de snoepuitvinding van Gustav, worden de bonbons nog steeds geproduceerd door Storck. De fabriek in Werther is uitgegroeid tot een grote koek- en snoepmultinational.

Ik noteerde met een uitroepteken (van toeval!) de overeenkomst die suikerbakker Gustav en mijn Heinrich leken te hebben, sloot mijn laptop af, stopte mijn spullen in de auto en reed doelgericht naar de supermarkt. Daar kocht ik een familiezak Werther's Original.

De rit naar Duitsland zou drie uur duren, maar was binnen een zak Werther's Original voorbij.

Een beetje misselijk, maar in een euforische, verlichte toestand passeerde ik de dorpsgrens. Want - en dat is nou het rare aan dat hele researchgedoe - als je dan eindelijk dat, waarover je alleen op internet, in boeken of op snoepzakken iets hebt gelezen, in het ECHT ziet, en kunt aanraken of proeven of wat dan ook, dan is dat leuk, leerzaam en inspirerend, maar bovenal bijzonder surrealistisch.

Werther bestáát. Een klein dorp met een wereldberoemd snoepje. En ik ben er geweest.

Werther Kreis Gutersloh


(en de volgende keer meer over Heinrich)
Met de hulp van familieleden met stoffige fotoalbums op zolders, huidige boerderijbewoners en Sjaak van Loo (auteur van Boven Water, de watersnoodramp van 1953 in Oost-Zuid Beveland in woord en beeld) heb ik een voorstelling kunnen maken van de boerderijen uit Polderpioniers.

Twee boerderijen zijn op dezelfde plaats (en in een vergelijkbare stijl) herbouwd. De andere boerderijen bestaan - helaas - niet meer.

Langeweg Kruisland
Familie Lodiers, Langeweg Kruisland


Holterbergsestraat Kruisland
Familie Lodiers, Holterbergsestraat Kruisland

Olzendedijk Kruiningen
Familie Lodiers, Olzendedijk Kruiningen

Capelleweg Kruiningen
Familie Rijk, Capelleweg Kruiningen (na de watersnoodramp, voor de brand)

Schelpenbolweg Slootdorp
Familie Rijk-Lodiers, Schelpenbolweg Slootdorp (voor de inundatie)
Even iets over dat oer-Nederlandse fenomeen polder, dat Polderpioniers niet haalde, maar best fascinerend is. Een stukje over etymologie.

Het woord polder bestaat sinds de 12e eeuw (toen nog polre) en is afgeleid van pol, als in graspol.

Een bedijking aan zee of een rivier is de oudste vorm van een polder. Als de grond voldoende hoogte heeft bij een normale vloedstand kan er ingepolderd worden. Een variant is het omdijken van een meer om het daarna droog te malen.

Noordoostpolder

Nederland is de eerste in de wereld die land inpoldert. Het woord polder wordt dan ook wereldwijd overgenomen vanuit onze taal. Zo komt in de 13e eeuw in Frankrijk het woord polre voor, later wordt dat poldre en daarna le polder. De Italianen gebruiken eerst poldro en vanaf 1838 polder. In het Engels bestaat polder sinds de 17e eeuw, in het Duits vanaf het begin van de 18e eeuw.

Het Baskisch, Bulgaars, Deens, Ests, Hongaars, Kroatisch, Noors, Pools, Roemeens, Servisch, Sloveens, Spaans, Tsjechisch en het Zweeds gebruiken polder, het Russisch pol'der, het Lets polderis, het Litouws pòlderis, het Portugees pôlder en het Fins polderi.

Dus niet alleen levert Nederland een bijdrage aan de wereldveiligheid door haar kennis over inpolderen te verspreiden, maar ook draagt Nederland met het begrip polder bij aan de internationale woordenschat.

Trots?

Hmm. Over dat eerste zeker, maar over dat laatste is wel enige bescheidenheid op zijn plaats.

Want, zo vertelt etymologiebank, de meeste Finnen weten eigenlijk niet wat ze met het woord polderi aan moeten, omdat ze de juiste betekenis niet kennen. In Finland wordt namelijk geen land ingepolderd. Het woord komt voornamelijk voor in artikelen, discussies of gesprekken die betrekking hebben op Nederland. En waarschijnlijk geldt dat voor meer van bovenstaande talen....

Polders zijn nou eenmaal zó Nederlands.

Noordoostpolder

* Met dank aan etymologiebank.nl
Het was weer bandenwisseltijd. Ik zat in het wachtkamertje van de Kwikfit aan de automatenkoffie en keek naar een vriendelijk, kartonnen Michelinmannetje.

Bibendum, het Michelinmannetje

Ik dacht: 'Ik ken jou al mijn hele leven, beste bandenmannetje, maar ik weet eigenlijk heel weinig van je.' Hij reageerde niet, dus ik googlede zijn geschiedenis maar even.

Het begint met een fietsband in 1891.

Of eigenlijk eerder nog: in 1839 ontdekt de Amerikaan Charles Goodyear het proces van vulcanisatie dat tot rubber leidt. Vijftig jaar later bedenkt de Britse dierenarts John Boyd Dunlop de luchtband waarmee de fiets (eerder ook wel 'boneshaker' genoemd) een stuk comfortabeler wordt.

De rubberen fietsband is uitgevonden. Maar er is drie uur werk en een hele nacht droogtijd nodig om een lekke band te herstellen, omdat die rechtstreeks op de velg verlijmd zit.

En dan zijn daar de Franse broers André en Édouard Michelin. In 1891 ontwikkelen zij een luchtband met een aparte binnenband: de eerste verwisselbare fietsband. Drie jaar later organiseren de broers een wielerwedstrijd van Parijs naar Clermont-Ferrand. Ze strooien opzettelijk spijkers op de weg om aan te tonen dat lekrijden snel opgelost is met de demonteerbare Michelinbanden.

Niet heel sympathiek, maar wel een slimme marketingtruc.

In 1894 presenteren André en Édouard op de wereldtentoonstelling in Lyon een grote stapel banden. Édouard bedenkt ter plekke dat als de stapel armen zou hebben, het eruit zou zien als een mens. Het idee voor het Michelinmannetje is geboren. Samen met een kunstenaar ontwikkelen de broers hun mascotte. Hij wordt in 1898 op een reclame-affiche voor het eerst getoond.

Bibendum het Michelinmannetje

Op de afbeelding heft het Michelinmannetje een glas vol spijkers en glasscherven en roept: 'Nunc est bibendum!' Nu moet er gedronken worden!' Onderaan de affiche staat 'Le pneu Michelin boit l'obstacle!' De Michelinband drinkt de hindernis!
Oftewel iets als: spijkers en glasscherven op de weg zijn te overwinnen met Michelinbanden. De reclame slaat aan en de mascotte krijgt al snel de naam Bibendum.

Bibendum wordt het symbool van het bandenimperium. Pas veel later, als de broers Michelin hun banden hebben doorontwikkeld voor andere vervoersmiddelen, worden de fietsbanden waaruit Bibendum bestaat vervangen door autobanden. Bibendum wordt in 2000 uitgeroepen tot het beste logo van de eeuw.

En toen was mijn koffie op en stond mijn auto met winterbanden klaar.
Tot ziens Bibendum, tot in de lente.
Oktober 2013
Mijn vader vraagt: 'Wil jij het verhaal van je grootouders niet eens op papier zetten?'
Natuurlijk.

December 2013
Eerste interview met mijn vader.

Januari 2014 - ....
Ooms interviewen, archieven bezoeken, verloren bekenden opsporen, familiedocumenten ontcijferen.
Schrijven.

Januari 2014 - Mei 2014
Opleiding bij Scriptplus 'Schrijven van familieverhalen'.

Mei 2014
Maaike Gerritsen laat me op haar eigen boekpresentatie kennismaken met haar uitgever.
'Ik heb een manuscript voor een thriller.' (ja, ander boek)
'Stuur maar op.'
Vreugdesprongetje.

Juli 2014
Uitgever mailt: 'Toffe thriller, maar we hebben al genoeg.'
Ik: 'Maar ik ben ook nog bezig met iets anders: non-fictie, over boeren en polders.'
Uitgever: 'Interessant. Stuur tzt maar eens toe.'
Iets kleiner vreugdesprongetje.

September 2014
Eerste versie Polderpioniers gaat naar schrijfcoach.

Oktober 2014 - Maart 2015
Herschrijven.

Maart 2015
Tweede versie Polderpioniers gaat naar schrijfcoach.

April 2015
Herschrijven.

Mei 2015
Derde versie Polderpioniers naar uitgever.
Automatische reply: 'Ik werk hier niet meer. Belangrijke zaken svp doorsturen naar collega X.'
Domper. 
Derde versie Polderpioniers doorsturen naar X. 

Derde versie Polderpioniers naar familie.
Discussies, lachen, huilen.

Augustus 2015
Uitnodiging uitgever: 'Kom langs. We willen je spreken.'
Lichte hartverzakking.
Leuk gesprek. Inhoudelijk. Aanwijzingen om het manuscript te verbeteren.

September 2015 - December 2015
Herschrijven.

Januari 2016
Vierde versie naar uitgever.

Stilte.

Maart 2016
Uitnodiging uitgever: 'Kom langs. We willen je spreken.'
Koel blijven. Wolken wegwuiven en goede vragen stellen.
Gesprek. Na twee minuten: 'We gaan je boek uitgeven.'

Weer buiten.
Complete verwarring.
Heb ik het wel goed begrepen?
Zei ze het echt?
Mijn boek?
Uitgeven?
Hier aan de Herengracht?
Lichte hysterie.

April 2016
Er ligt een contract

Mei 2016 - September 2016
Herschrijven
Bronvermelding samenstellen
Persklaarmaken
Achterflaptekst
Omslag
Eerste proef

13 Oktober 2016
Af.

Het begon drie jaar geleden met een vraag. Nu is er een boek. En een goede dosis trots.

Marian Rijk Polderpioniers
Voordat ik met het schrijven van Polderpioniers begon had ik nog nooit van een poffer gehoord. Nu wel. Sterker nog, ik ben al bijna een expert. 

Kijk: dit is mijn overgrootmoeder. Ik vind haar mooi, met haar hoge jukbeenderen, amandelvormige ogen en witte schuimtaart – pardon – poffer.


De poffer is het belangrijkste onderdeel van de Brabantse klederdracht, en wordt tussen 1870 en 1940 met zeer veel trots gedragen. De dracht bestaat uit een kleine, zwarte ondermuts, daarover heen een kanten muts en dan de witte poffer – lekker warm.

Elke streek heeft een andere poffervorm. Elk dorp een poffermaakster en een mutsenplooister.

Portret van een plattelandsvrouw (Vincent van Gogh, 1885) met een ander soort poffer.

De witte tulen muts met kanten afwerkingen en ontelbaar veel plooitjes of tule bloemetjes en knopjes, toont de levensfase en de rijkdom van de draagster. Mijn overgrootmoeder – een burgermeisje – krijgt de muts van haar schoonfamilie, als ze in het huwelijk treedt met een herenboer. Hoe groter de poffer en hoe sjieker de stof, hoe rijker de boerin. Praktisch gezien is het pronkstuk een onding, een warme witte taart.

Jonge getrouwde vrouwen dragen een poffer met bloemen, oudere dames een poffer met appels of peren van zijde of knopjes (zij hebben ‘hun vrucht reeds gedragen’). Een weduwe draagt een rouwmuts, een poffer die van alle versieringen is ontdaan.

Mijn overgrootmoeder draagt haar poffer bij speciale gelegenheden: op zon- en feestdagen en als ze op bezoek gaat bij familie of belangrijke personen in de gemeenschap. En als ze op de foto gaat.

Ik heb eindeloos gezocht naar een foto van haar zonder poffer. Gewoon, omdat ik haar dat gunde, vastgelegd te mogen worden zonder die muts. Uiteindelijk vond ik een foto. Ze doet daar wat ze het liefste doet – zonder muts, zonder gepronk, zonder opsmuk : handwerken. De eenvoud. De rust. Nog mooier is ze dan.

overgrootmoeder

Meer weten over de poffer? Kijk op Binnekiekedotcom of bezoek het Mutsenmuseum.
Alsjeblieft, 6 tips voor het organiseren van een goede bronvermelding. Onderstaande kan je - zei de ervaringsdeskundige - veel tijd en frustratie schelen...

Boeken

1. Zodra je een bruikbaar stuk tekst, een afbeelding of plattegrond vindt, schrijf je de bron op. Je denkt niet, 'oh ik onthoud wel waar ik dat heb gevonden.' Nee! Je noteert meteen de bron.

2. Die brongegevens noteer je volgens de APA-regels. Op scribbr.nl vind je die regels met voorbeelden.

3. Uit online archieven kun je vaak PDF's of JPG's van aktes downloaden. Hartstikke fijn. Geef deze bestanden duidelijke namen (uit welk archief, welk archiefnummer, welke inhoud). Denk ook hier niet, 'ik onthoud het wel,' want als je een jaartje verder bent en 62 aktes met onmogelijke bestandsnamen op je PC hebt staan praat je wel anders.

Getuigschrift

4. Maak foto's van alle fysieke documenten (bv brieven, diploma's, bidprentjes etc) die aan je uitgeleend worden. Het zou namelijk zo maar kunnen dat de eigenaar ze wel even aan je uit wil lenen, maar niet voor drie jaar.

5. Vind je in een archief dat ene geweldige document dat niet gedigitaliseerd is en gewoon weer terug moet in de archiefkast? Maak er een foto van - mag bijna altijd - (en anders een kopie, zie de extra tip onderaan). Foto's zijn thuis goed te vergroten en soms zelfs beter leesbaar dan het werkelijke document.

6. Wil je online bronnen, zoals een persoonlijk blog of publicatie, als referentie gebruiken? Niet elke online auteur heeft zijn Creative Commons op orde. Vraag daarom vooraf toestemming om de bron te mogen gebruiken - ik kreeg alleen maar positieve reacties - en verwijs er naar in je bronvermelding.

Akte

Extra tip voor het ontcijferen van oude documenten:
Van de archivaris van het Markiezenhof kreeg ik de volgende tip: In oude aktes is geschreven met de hand, met van die grote ouderwetse krulletters in inkt, wat het niet altijd goed leesbaar maakt. Volg met een potlood (op een kopie!) of met je vinger (dat mag wel op het echte document) de letters alsof je ze zelf schrijft. Vaak wordt door je eigen beweging dan toch inzichtelijk wat er staat.

Van bovenstaande punten ben ik bewust geworden tijdens het schrijven van Polderpioniers. Ongetwijfeld zijn er nog veel meer handige tips voor het maken van een goede bronvermelding of literatuurlijst. Aanvullingen zijn dan ook welkom!
Waar komt het woord fiets vandaan?

Nederlandse etymologen (taalkundigen die de herkomst van woorden onderzoeken) zijn zo geobsedeerd geweest door deze vraag, dat er meer dan zeventig publicaties over geschreven zijn. In totaal bestaan er zeker twintig verschillende theorieën over de herkomst van het woord fiets.

& ik vond dat zo grappig en intrigerend, dat ik er een blogje over schreef.

Poster van Velocipede Viets


Halverwege de negentiende eeuw deed het nieuwe voertuig met twee wielen haar intrede in Nederland. Nederlandse en Vlaamse letterkundigen ergerden zich aan dat moeilijke Franse woord vélocipède: een samenstelling uit het Latijnse velox, velocis 'rap, snel' en pes, pedis 'voet'. Het was al snel duidelijk: vélocipède moest vervangen worden. Maar door wat?

Het Vlaams dagblad De Stad Gent nam bij het zoeken naar alternatieven het voortouw. Op 25 augustus 1869 plaatste die krant een lijstje met namen die waren ingezonden door lezers. Tussen de eenendertig benamingen zaten serieuze voorstellen:

snellooper of wieltrapper,

maar ook grappige als

draaiende aardezoeker, tweewielige buikpelder, mekanieke lanterfanter, nieuwbakke luiaard en wielzot. 

Op 31 augustus 1869 werd het krantenartikel overgenomen in het Leidsch Dagblad. De hoofdredacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal stelde daarop het volgende voor:

wieler. 

Een week later, op het Taal- en letterkundig congres in Leuven, werden er achtenveertig alternatieven op tafel gelegd.

loopwieler bijvoorbeeld, en trapwieler 

en snelwieler, snelspin, spin, hazewind, snelvoeter, tredensneller, snellewiel of zelfkar.

De aanwezige professoren kwamen niet tot een besluit. Een Vlaamse onderwijzer en letterkundige stelde toen het volgende voor:

Niet eene geleerde vergadering, een Congres, moet eene vertaling van het bedoelde woord geven; men moet die zorg aan het volk overlaten, dat gewoonlijk in het geven van benamingen niet achterlijk is.

En zo geschiedde: het volk verzon een woord voor het nieuwe vervoersmiddel.

Maar hoe?

In een Utrechtse krant stelde een 'eenvoudig Utrechtsch ingezetene' voor om vélocipède te vervangen door rijwiel, afgeleid van het volledig ingeburgerde rijtuig. Een mooie eerste stap. Rijwiel werd de officiële benaming voor dat nieuwe voertuig.

Maar hoe kwamen we dan aan het woord fiets?

Nou, dat is nog best ingewikkeld.

De eerste verklaring is dat het een verbastering van het wat lange en lastig uit te spreken vélocipède zou zijn. Het originele Franse woord werd bijvoorbeeld in Twente verbasterd tot

fielsepee, en in andere regio’s tot verdraaiingen als vieloziepee, viezepee, vielesepee, filesepee en fiesselepee. Deze zogenaamde tussenvormen werden tot viels verkort. Maar omdat het werkwoord vielsen niet behoorlijk werd gevonden, werd viels viets.

Van de v maakte men een f, omdat de zachte v te weinig snelheid en kracht uitstraalde, en omdat het woord er gewoonweg niet uitzag met een v.
Deze vrij logische verklaring wordt bekritiseerd vanwege het kip-ei-verhaal: kwam fiets van vélocipède of verbasterde men vélocipède pas naar fiets, toen het woord fiets al bestond?

Niemand weet het.

En er zijn andere verklaringen. Bijvoorbeeld die van meneer Viets, die in Wageningen een fietsenwinkel had. Elie Cornelis Viets was een smid, net als zijn vader en grootvader. Hij handelde in haarden, kachels, fornuizen, veevoederkookpotten, kolenbakken en petroleumtoestellen, en vanaf 1889 ook in vélocipèdes.
Ondanks dat de beste man zelf overtuigd was dat het voertuig van zijn naam was afgeleid, is chronologisch gezien de verklaring niet realistisch. Waarschijnlijk heeft zijn rijwielhandel wel goed bijgedragen aan de verbreiding van het woord fiets in Wageningen en omgeving.

Klanknabootsing kan ook een verklaring zijn voor het ontstaan van fiets. Volgens het Gelders dialect was fiets een klanknabootsing die snelheid uitdrukte. Het zou het geluid zijn dat hoort bij de bliksem, de kogel en de slag van een zweep. Of zoals een dame uit Nijmegen in 1901 in De Kampioen verklaarde:

Fiets, dat is een woord, niet gefabriceerd, maar geworden, ontstaan in en door het volk, als een pure uiting van wat bij het zien van dat ding in de ziel omging. Men zag het, zoo licht en vlug, het vloog daarheen, zjiest! en 't was weg! En zoo, gewoonweg, zei men, bij wat men zag en hoorde: da's een fiets!

De klanknabootsingtheorie heeft vele voorstanders. Volgens sommigen verklaart het ook waarom viets na verloop van tijd met een f werd geschreven, want: de f beeldde veel beter den snellen, geruischloozen gang van het inmiddels zoo verbeterde geluchtbande rijwiel uit.

Het kan ook zijn dat de fiets genoemd is naar de Engelse rijwielfabrikant Fitz.

Of, zoals ze in Apeldoorn beweren: dat een voorganger zomaar uit het niets zijn vélocipède tot viets had gedoopt, waarna alle leerlingen van de kostschool dit hadden overgenomen.

Viets of Fiets


Een dialectische verbastering behoort ook tot de mogelijke verklaringen. Verschillende regio's weten zeker dat de oorsprong van het woord fiets uit hun omgeving komt.

Van Venloosch pêrdje (paardje) bijvoorbeeld.

Of deze: in Oerle zou de boerin Marie Renders in haar jonge jaren de bijnaam 'Mie Fiets' hebben gekregen door de manier waarop ze liep. In Oerle betekende fietsen namelijk 'met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen', en dat kon Marie als de beste.

Of: Fietsken komt uit Groenlo, waar het 'een laatste restje' betekent, en dat zou in relatie staan met het minimum aan tijd dat men nodig heeft om zich te verplaatsen per rijwiel.

In Drente refereert men aan het woord fiets als 'zier': Ik doe der gien fiets meer of, betekent: daar kun je niet veel mee.

In Zuid-Limburg betekent vietse of fietse hardlopen, zich snel uit de voeten maken. In Noord-Limburg bestaat fiette, met een vergelijkbare betekenis.

Verschillende dialectologen vermoeden dat de verklaring uit Limburg wel eens de juiste kan zijn. Niet alleen klinkt het aannemelijk en zijn er geen echte tegenargumenten te verzinnen, het zou ook verklaren waarom fiets eerst met een v geschreven werd, en daarna een variant kreeg met de f.

Viets en fiets werden lang beschouwd als een volkswoord, een 'vulgair jongenswoord'. Pas sinds halverwege de twintigste eeuw durft iedereen - ook de chiquere mens - het woord te zeggen zonder zich te schamen.

Fiets.

Met dank aan Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord van Ewoud Sanders.